Waden door Bams vloeibare zand

In een zomerserie over bijzondere reisboeken deze week twee Zwitsers in een autootje op de Zijderoute, anno 1953.

Uit boek

Nicolas Bouvier: De wegen van de wereld. Met tekeningen van Thierry Vernet. Vert. door Floor Borsboom. Bas Lubberhuizen, 381 blz. € 29,50

‘Een moellah gaat tekeer tegen twee boeren die op hun knieën voor de stembus liggen: „Waarom aanbidden jullie de stembus, stelletje ongelovigen?’’ En de boeren antwoorden: „O, eerbiedwaardige moellah, er is zojuist een wonder gebeurd: het hele dorp heeft Kassem erin gestopt, maar Yusuf is uit de bus gekomen!’’ En een storm van gelach vaagde heel die corrupte politiek in één keer weg.’

Nicolas Bouvier schrijft deze anekdote neer over Mahabad, een stad in het westen van Iran. Samen met zijn vriend, de tekenaar en schilder Thierry Vernet, is de 24-jarige reiziger dan halverwege de tocht die ze in 1953 samen begonnen, van Joegoslavië via Turkije, Perzië en Pakistan naar Afghanistan. Twee jonge kunstenaars uit Genève, die in een gammele, tweedehands Fiat Topolino hun burgerlijke milieu ontvluchten, zonder een cent op zak, vastbesloten het gesloten Zwitserland zo ver mogelijk achter zich te laten. De schrijver hoopt onderweg wat artikelen te kunnen slijten, de schilder rekent op tentoonstellingen hier en daar, maar in het grensgebied van Perzië en Afghanistan worden zijn naakten ‘te artistiek’ bevonden en geen burger van Istanbul blijkt geïnteresseerd in een reportage over Lapland.

Het wordt een indrukwekkende tocht van bijna twee jaar die de Zwitserse nomaden ondernemen. Niet alleen omdat, zoals hun bevriende uitgever in het voorwoord schrijft, je maar nauwelijks Zwitserland uit kwam in die tijd en het IJzeren Gordijn een onoverkomelijke grens leek. Maar ook omdat de vastberadenheid en het optimisme waarmee de mannen tegenslagen overwinnen, bewondering afdwingen. Op weg naar Mianeh moeten ze regelmatig de auto optillen en aan de kant zetten om vrachtwagens te laten passeren. Het aantal keren dat ze de motor uit elkaar moeten halen, onderdelen zoeken en weer in elkaar moeten zetten is ontelbaar. Bij de stad Bam ligt dertig meter vloeibaar zand. ‘De auto uitladen, spitten, effenen, takjes verzamelen om de weg te plaveien en dit geraamte bedekken met alle kleren die we hebben, koppelen en duwen’.

Toch is dit boek, ondanks alle ellende, een ode aan het ware reizen, een regelrecht meesterwerk als het gaat om observaties van die verre oorden. Bouviers beelden zijn van een ongekende rijkdom, helder en visueel, geestig en gedetailleerd. Bouvier interesseert zich – een unicum voor die tijd – niet voor monumenten uit de Baedeker-reisgidsen, maar voor het gewone, het onopvallende, het onooglijke. Een intelligent gezicht, ‘dat zo oud is als wat het weerspiegelt’, een appelschimmel, een aardhoop onder de sterren, de huid van een gevilde beer die te drogen hangt. De mensen die ze ontmoeten, worden door Bouvier prachtig neergezet: De Britse eigenaar van de Saki Bar in Quetta heeft ‘het gebronsde gelaat van de homofiel met de hoogrode konen waaraan je alle emoties af kunt lezen’; en de kistenmaker in Macedonisch Prilep, die ‘al zo lang met de dood werkt dat hij er zelf op is gaan lijken’.

Bouviers stemmingen schommelen tussen himmelhoch jauchzend en zum Tode betrübt. Soms wordt hij bij het ontwaken bevangen door een geluksgevoel, ‘rekt hij zich uit, voelt hij zich heel licht en lijkt het woord „geluk’’ plotseling veel te mager om te beschrijven wat er door je heen gaat’. Door een diep dal gaat Bouvier als blijkt dat iemand bij een opruimbeurt de envelop met al zijn reisaantekeningen heeft weggegooid. Vergeefs zoeken ze een vuilnisbelt af: ‘Alleen het onbenoembare en vormeloze is er terechtgekomen, samengesmolten tot een asgrauwe, zure, dode brij, vol verraderlijke botten waarop onze schoppen afketsten’.

Na terugkeer in Genève werkt Bouvier drie jaar aan de tekst. Hij vraagt zich in die tijd wel eens af wat die reis van toen te maken heeft met zijn leven van nu. Het gaat hem om de ‘terugkeer naar dat gat in mijn geheugen, naar die hellingen van gele leem, die alleen nog grisaille, flauwe echo, flarden van ideeën zijn, die vervagen zodra ik ze in woorden probeer te vangen, naar dat intense en gelukkige jaar toen mijn leven nog ergens naar toe leek te gaan’.

Vernet selecteerde houtsneden en pentekeningen. Geen Parijse uitgever wilde De wegen van de wereld destijds uitgeven – onverkoopbaar, want in geen enkele categorie onder te brengen. Het verscheen in 1963 bij de Zwitserse uitgever Droz. Daar pakte de schrijver zelf de bestellingen in.

    • Margot Dijkgraaf