Verbranders komen afval tekort

Om het milieu te sparen wordt afval steeds minder vaak gestort. De Europese Commissie stimuleert schone verbranding, maar in Nederland staan nu te veel verbrandingsovens.

Bouwvakkers trotseren de weeïge geur van de vuilverbrandingsinstallatie van Dordrecht. Terwijl de oven doordraait, moderniseren ze de fabriek. Na de verbouwing zal de installatie meer energie opwekken, schonere lucht uitstoten, bijdragen aan de stadsverwarming en niet meer stinken. Ook kan de installatie na de modernisering meer dan twee keer zoveel afval verwerken.

Dordrecht is niet de enige stad die meer verwerkingscapaciteit voor afval krijgt. In het hele land is de verbrandingscapaciteit de laatste jaren fors toegenomen. En er is meer in aanbouw. Maar produceert Nederland eigenlijk wel genoeg afval voor al die ovens?

„Nee”, zegt Leontine Kiës, consultant bij Pricewaterhouse-Coopers en gespecialiseerd in afvalstromen. „Dit jaar bereiken we een evenwicht tussen het aanbod van brandbaar afval en de verwerkingscapaciteit van de ovens. Vanaf 2011 krijgen we te maken met een structurele overcapaciteit van tussen de 8 en 22 procent. Dan hebben we niet meer genoeg afval om alle ovens aan de gang te houden.”

In 1995 introduceerde Nederland uit milieuoverwegingen de belasting op het storten van afval. Daarop werd een steeds groter deel van het Nederlandse huisvuil naar Duitsland geëxporteerd. Met name vanaf 2002, toen toenmalig minister van Milieu Jan Pronk (PvdA) de belasting op het storten van afval fors verhoogde. Drie jaar later, in 2005, werd het storten van afval in Duitsland verboden. Dat was voor de Nederlandse afvalsector het startsein om massaal te investeren in nieuwe verbrandingsovens. Met binnenkort dus een flinke overcapaciteit als gevolg.

Meer afval produceren om de ovens aan de gang te houden, is niet de oplossing voor het probleem. De standaard op het gebied van afvalbeheer in Nederland, de ‘Ladder van Lansink’ (vernoemd naar een oud-Kamerlid) is hier duidelijk over. Hoe minder afval, hoe beter. Afval dat er wel is, moet bij voorkeur worden gerecycled. Als dat niet kan, moet het op een schone manier worden verbrand. Alleen wat daarna nog overblijft, mag worden gestort.

Het gevolg van deze aanpak is dat Nederland relatief veel afval verbrandt en weinig stort. Maar het aanbod is onvoldoende om de bijgebouwde capaciteit te kunnen vullen. Mogelijke oplossing: afval importeren.

Volgens Europese regelgeving kan dat. Lidstaten mogen zelf bepalen of ze de im- en export van brandbaar afval toestaan. België staat dit niet toe, een aantal Duitse deelstaten wel. Net als Nederland.

Volgens Leontine Kiës hoeven de vuilverbranders echter niet op de import van grote hoeveelheden Duits afval te rekenen. „Uit Duits onderzoek blijkt dat ook daar overcapaciteit ontstaat, van tussen de 9 en 22 procent.” Kiës verwacht wel enige import van Duits afval in grensregio’s. Maar alleen over korte afstanden, dus eigenlijk is dat afvalverwerking op regionaal niveau.

Is het niet mogelijk om afval uit verder weg gelegen landen te halen? Vorig jaar lagen de straten van Napels vol met huisvuil. De lokale stortplaatsen waren overvol en lange tijd wist niemand waar het afval heen kon. Uiteindelijk is een deel van het vuilnis op treinwagons geladen en naar Hamburg vervoerd, waar het in de verbrandingsovens verdween.

Maar afval neemt veel ruimte in en is daarom duur om te transporteren. En afval verbranden levert wel energie op, maar dat brengt minder op dan wat het kost om het afval in de ovens te krijgen. Energie opwekken uit aardgas, kolen of olie is veel goedkoper, terwijl afval verbanden per saldo geld kost.

Met het oog op het milieu en de volksgezondheid was het in Napels niet verantwoord het vuil nog langer op te stapelen. Maar kostenefficiënt was de export naar Hamburg niet.

Importeren lijkt dus ook geen oplossing. Alle EU-landen zullen meer schone verbrandingsinstallaties moeten bouwen om hun eigen afval te verbranden. Landen als Groot-Brittannië, Italië, Griekenland en veel Oost-Europese landen zijn nog niet zo ver. Kiës: „Als de Europese Unie deze landen straks hoge boetes oplegt voor het storten van afval, kan het bedrijfseconomisch aantrekkelijk voor hen worden om afval te exporteren.”

Maar dit is slechts een tussenoplossing. „Het ligt in de lijn der verwachting dat deze landen dan zelf ook gaan investeren in goede verwerkingscapaciteit. Dit kunnen ze in ongeveer vijf jaar realiseren.”

Volgens directeur Dick Hoogendoorn van de Vereniging Afvalbedrijven zit er dan ook maar één ding op. „We zullen moeten accepteren dat er te veel capaciteit is.” Volgens Hoogendoorn zal dit ertoe leiden dat de tarieven voor het verbranden van afval in Nederland omlaag gaan. „Voor de burger kan dit goed nieuws zijn, wellicht kunnen de gemeentebelastingen dan omlaag. Maar we zullen ervoor moeten waken dat we niet in een situatie terechtkomen waarin recyclebaar afval in de verbrandingsoven verdwijnt.”