Saucijzenbroodje

Meestal beleef je niets bijzonders als je boodschappen doet, maar er zijn ook dagen waarop je in een onbekende aflevering van Monty Python’s Flying Circus lijkt beland.

Het begon al bij de haringvrouw in die haringkar waar alleen maar haringvrouwen werken. Ik had om een haring „zónder uitjes en zuur” gevraagd. Ze sneed de haring in mootjes en schoof het bakje naar me toe, terwijl ze zei: „Dat noemen we een haring in z’n blootje.”

Ik vond het een pracht van een nooit eerder gehoorde uitdrukking, en betaalde met plezier de belachelijke 3,50 euro die ze bij deze kar durven vragen voor één zo’n rauw lapje waar veel mensen van walgen. Voor een taalvondst moet je wat overhebben.

Vrolijk drentelde ik vervolgens naar Albert Heijn, waar bij de ingang de vrouw van de daklozenkrant opvallend afwezig was.

Zij had een leegte achtergelaten waarin het opeens naargeestig woei. Geen vriendelijke blik of joviale groet, alleen die lelijke entree.

„Waar is ze?” vroeg ik aan iemand van het personeel.

„Met vakantie.”

Het is haar van harte gegund, ze heeft er een jaar lang hard voor gewerkt, maar we zullen haar missen.

Toen moest ik nog naar de bakker, doorgaans een routinebezoek waar ik me geeuwend doorheen sla. De bakker vroeg wie er aan de beurt was – een vraag die hij ’s nachts weleens gillend van afschuw uitschreeuwt als hij een vervelende droom heeft, net als zijn collega’s in andere winkels die 95 keer op een dag moeten vragen: „Is het een cadeautje of is het voor uzelf?”

Ik wees op een man die er al had gestaan toen ik binnenkwam. Maar de bakker zei: „Die meneer wacht op een saucijzenbroodje.”

Ik vroeg om een halfje gesneden bruin en bedacht dat ik in deze winkel nog nooit saucijzenbroodjes had gekocht. Ze smaken meestal nergens naar, zou dat hier misschien anders zijn?

Ik keek naar de klant. Hij had zich naar het winkelraam gekeerd en stond zacht neuriënd op zijn broodje te wachten.

Voordat de bakker mij verder hielp, liep hij naar de magnetron en haalde het broodje eruit. Hij deed het iets te schielijk, waardoor het broodje aan zijn macht ontsnapte en naar de vloer dook.

Het was zo’n vloer waarvan je liever niet eet, ook al kun je het wel.

De bakker bukte zich snel en raapte het broodje op. Langs mij heen wierp hij een efficiënte blik op de wachtende klant. Die had niets in de gaten en humde onbekommerd door.

De bakker meed mijn blik en zei onverstoorbaar tegen de klant: „Uw broodje, meneer.”

„Heeft u misschien een servetje?” vroeg de man.

„Natuurlijk”, zei de bakker, en hij gaf hem er royaal twee smetteloos witte servetjes bij.

De man betaalde en liep met zijn broodje de winkel uit. Dat het hem goed mocht bekomen. In verwarring rekende ik af.

Had ik niet iets moeten zeggen, tegen de bakker, of in ieder geval tegen die klant?

Ja, het was mijn zaak niet, maar ik had fantasie genoeg om de krantenkoppen al voor me te zien: „Saucijzenbroodje wordt klant fataal.”

De lezer denkt misschien dat ik zo’n verhaaltje verzin, maar ik raad hem aan het nieuws de komende dagen goed in de gaten te houden.