Requiem voor een delicatesse

Binnenkort sterft de reuzentonijn uit, met dank aan Japan en de Europese Unie. Steven Adolf schreef er een boek over.

Steven Adolf: Reuzentonijn. Prometheus, 271 blz. € 19,95

In de uitkijkposten bij de nog verstilde Middellandse Zee stijgt de spanning. Het is de dag van de tonijn – meterslange vissen stormen in duizendtallen over het water. Op het natuurgeweld volgt bloederig mensengeweld. De dieren worden in verticale visnetten geleid, achtervolgd door orka’s. De walvissen zullen de weg terug vinden, de reuzenvissen niet. De bakbeesten van vijfhonderd kilo, met de bekken als altijd open en de ogen vol paniek, vormen een wit kolkende massa. Aan in het lijf geslagen haken wordt het gestroomlijnde monster versleept, nu in rood water. Zo nodig wordt hem de kop ingeslagen.

Zo beschrijft Steven Adolf, voormalig correspondent van deze krant in Spanje, de vangst van de blauwvintonijn in zijn boek Reuzentonijn. Elke lente zwemt de vis na een reis van duizenden kilometers in grote scholen door de Straat van Gibraltar de warme Middellandse Zee binnen om zich voort te planten. De prehistorische mens wachtte aan de kust al op deze ‘zeemonsters’, die meer dan drie meter lang kunnen worden. De Feniciërs en Romeinen richtten er hun almadraba’s op in (verticale netten die de vissen voorstuwen naar een ondiepere plek). Ingezouten veroverde de reuzentonijn als delicatesse de oude wereld.

Aan het einde van de 20ste eeuw begon de reuzentonijn, een ‘vis zonder vaderland’, aldus Adolf, zelfs aan een zegetocht over de wereld, als pizzabeleg en als grondstof voor Japanse sushi en sashimi. Inmiddels dreigt een draaikolk van hebzucht, corruptie en plundering definitief een eind te maken aan de soort.

De laatste imposante vissen vormen trieste draaikolken op de tonijnboerderijen op zee. De oude almadraba bestaat nog. Adolf beschrijft die mooi, met hulp van Cervantes. Maar andere visserijmethoden volgden elkaar recentelijk snel op. Zo halen lange lijnen met haken, de lugubere longlines, op de oceanen nu niet alleen bedreigde tonijnsoorten, maar ook zeeschildpadden en albatrossen binnen.

Op de Middellandse Zee werden de buidelnetten populair. Ze vangen hele scholen tonijn in één keer. Die worden naar de tonijnboerderijen gebracht, waar de recordzwemmers die rechtuit willen, rondjes moeten draaien. IJzingwekkend efficiënt worden ze er bio-industrieel vetgemest voor de Japanse markt. Ingevroren schieten de tonijnen torpedovormig de wereld over.

Adolf heeft Japan bezocht en brengt verslag uit van de daar heersende verering van de tonijn. Hij behandelt ook de korte-termijnlogica van de industriële visserij. Daarbij blijft hij eigenlijk te beleefd. Hij is bijna politiek correct over andere culturen. Maar het is waar: de Europese Unie heeft ook hard meegewerkt aan het uitroeien van deze soort. Adolf signaleert hoe met subsidies de Franse tonijnvissersvloot werd uitgebouwd, vervolgens weer met subsidies werd afgebouwd, en nu onder andere vlag vaart. De EU stelt quota vast, maar die zijn volgens ecologen veel te hoog. En het toezicht is bijna kolderiek ontoereikend. Ook de Europese burger brengt geen redding. Die kan gewetensvol zijn tonijn inkopen met de net vernieuwde Viswijzer in de hand – er zijn nog redelijk verantwoorde vervangende soorten – maar sushi heeft de wereld veroverd. China dreigt er nu ook voor te vallen.

Het verdwijnen van de reuzentonijn is de bekroning van de ecologische kaalslag in de Middellandse Zee. Van de ooit zo vertrouwde gewone dolfijn zijn er daar nu bijvoorbeeld nog vijftien exemplaren over, een indirect gevolg van overbevissing.

Een nieuw inzicht in Reuzentonijn is dat overbevissing met ongeremde inhaligheid al een oud verschijnsel is. Maar dit is weinig troostrijk, want de vissers van nu zijn de eersten in de geschiedenis die precies weten waar ze met hun visserij op afstevenen – en toch gaan ze door.

De vis betaalt het duur. De laatste voorspelling is dat de oceanen over veertig jaar leeg zijn, maar van stoppen is geen sprake. ‘Lekker’ en ‘nu’ zijn hiervoor de verklarende steekwoorden, zoals bijvoorbeeld ook voor het verdwijnen van de paling. De hoeveelheid jonge paling is de laatste vijftig jaar met 95 procent afgenomen en uitsterven dreigt. Maar het kabinet wil geen vangstverbod. ‘Een broodje paling moet af en toe gewoon kunnen. Dat is ook ontzettend lekker’, verklaarde minister Verburg.

Het verhaal van de reuzentonijn illustreert de adembenemende teloorgang die zich wereldwijd onder water afspeelt. Adolf dist het veelzijdig op. Met behulp van mooie bronnen en aangenaam eigenzinnige gesprekspartners heeft hij veel boeiends boven water gekregen. Toch is dit boek geen volledig geslaagd monument voor een vis met cultuurhistorie. Daarvoor is de opbouw te moeilijk te vatten en de schrijfstijl soms te alledaags. De liefhebbers van kale feiten missen er anderzijds juist weer te veel. Over de verschillende tonijnsoorten, bijvoorbeeld, of ontwikkelingen in statistieken. Maar de boodschap is duidelijk en hopelijk spraakmakend. Met recepten.