Recept voor wereldmachten

Wereldmachten in spe moeten de knapste knoppen ter wereld aantrekken, ongeacht hun etniciteit, religie of afkomst. Anders worden ze geen hypermacht, betoogt Amy Chua.

US soldiers from various branches stand at attention during a mass reenlistment ceremony at the Al-Faw Palace, one of former Iraqi president Saddam Hussein's main palaces, in Baghdad on July 4, 2008. More than 1,200 US service members took a reenlisment oath on the 4th of July, the anniversary of US independence, led by top commander in Iraq General David Petraeus. AFP PHOTO / ALI AL-SAADI AFP

Amy Chua: Wereldrijk voor een dag. Over de opkomst en ondergang van hypermachten.Vertaling Mieke Hulsbosch. Nieuw Amsterdam; 461 blz. € 24,95

De Romeinse keizer Claudius overtuigde ooit de Senaat om de overwonnen Galliërs toegang te verlenen tot regeringsfuncties. Hij herinnerde eraan dat ook de stichters van Rome meermaals op dezelfde dag zowel tegen een volk vochten als het naturaliseerden. En hij besliste het pleit ten gunste van de Galliërs aldus: ‘Ze kunnen er tegenwoordig mee door, ze dragen geen broeken meer.’ Barbaarsheid kon worden afgeschud; de beschaafde toga was binnen ieders bereik.

In de bloeitijd van het Romeinse keizerrijk konden Galliërs, Britten, Spanjaarden en Afrikanen tot de elite doordringen, ja zelfs keizer worden, als ze maar assimileerden. Anderhalve eeuw na Claudius heerste in Rome keizer Septimus Severus (193-211), een Afrikaan met een Syrische vrouw. Voor de Amerikaanse auteur Amy Chua ligt in dit vermogen om overwonnen volkeren aan zich te binden, de sleutel tot het succes van Rome.

In Wereldrijk voor een dag analyseert Chua met verve de opkomst en ondergang van de grootste wereldmachten uit de geschiedenis – van Darius’ Perzische rijk tot hedendaags Amerika. Het gaat haar niet om zomaar grootmachten, maar om de wereld overheersende ‘hypermachten’: sterker dan al hun rivalen, een grote ruimte bestrijkend, niet economisch of militair inferieur aan enige andere macht op de planeet. In deze wat losse omschrijving passen volgens Chua zeven wereldmachten: Perzië, Rome, het Chinese Tang-rijk, het Groot-Mongoolse rijk, het Nederlandse handelsimperium uit de Gouden Eeuw, het Britse rijk en Amerika sinds 1989. En dus bijvoorbeeld niet het Frankrijk van Lodewijk XIV of Amerika tijdens de Koude Oorlog, aangezien die geduchte tegenstanders hadden.

Wat is het recept? Strategische tolerantie, noemt Chua het. Om te domineren moet een samenleving vooroplopen in de technologische, militaire en economische ontwikkeling van de hele wereld. Al het menselijk talent wordt zelden in één omgeving of binnen één groepering aangetroffen. Derhalve dient een ambitieuze samenleving ’s werelds knapste koppen of beste vaklui zien te interesseren, ongeacht etniciteit, religie of afkomst. Alleen zo kun je al je rivalen voorbijstreven.

Geen toeval dus dat in 2008 juist in hypermacht Amerika de zoon van een berooide Keniaanse immigrant tot president kon worden gekozen. Barack Obama als nazaat van de Afrikaanse Romein Septimus Severus, tegelijk belichaming en verklaring van een wereldheerschappij.

De charme van Chua’s boek ligt in de grote greep en massa aan feiten en anekdotes waarmee ze de centrale gedachte onderbouwt. Dat die gedachte nogal schematisch is, neem je op de koop toe. We lezen dat het China van de Tangdynastie officiële contacten onderhield met meer dan driehonderd landen en regio’s. Hoe de 18de-eeuwse Venetiaanse glasblazers werden opgesloten op het eiland Murano zodat ze niet naar de VS zouden vertrekken. Hoe de Indische moslimprins Akbar zijn Mogolrijk bijeenhield dankzij ‘multiculturele geslachtsgemeenschap’, een harem van ruim driehonderd hooggeboren vrouwen onder wie Afghanen, Perzen, Turken en zelfs twee Portugezen, die hun eigen godsdienstplichten mochten vervullen. En dat het legendarische Perzische paleis van koning Darius in Soesa goud bevatte bewerkt door de Egyptenaren, bakstenen gebakken door de Babyloniërs, cederhout uit Libanon en ivoor uit India. ‘Verbluffend kosmopolitisch’, noemt Chua het.

Dit laatste voorbeeld werkt aanstekelijk omdat de Perzen in de westerse historiografie doorgaans de Aziatische boemannen zijn die het wonder van de Griekse cultuur en democratie dreigden te vertrappen. Hetzelfde effect heeft Chua’s lof op het 13de-eeuwse Groot-Mongoolse rijk van Djengis Khan. Mongolië een tolerante hypermacht? De auteur vermeldt heus dat de Mongoolse plunderaars hele dorpen met de grond gelijk maakten en greppels met lijken vulden. Haar boeit evenwel meer dat Djengis gretig mannen rekruteerde met vaardigheden die de Mongolen misten, dat hij in bepaalde gebieden de godsdienstvrijheid uitriep en hoe zijn kleinzonen uiteindelijk regeerden van China tot Egypte en de Donau. Vergelijk dit met het echec van een 20ste-eeuwse, door rassenwaan verteerde veroveraar: ‘In tegenstelling tot Djengis Khan was Adolf Hitler niet geïnteresseerd in het mobiliseren van de superieure talenten van de overwonnen naties.’

Bij alle historische verhalen wordt Wereldrijk voor een dag gedreven door de vraag naar de toekomst van Amerika. Moet het land een hypermacht proberen te blijven? Wat voor een? Meermaals brengt de auteur haar persoonlijke geschiedenis ter sprake. Chua (1962) is de dochter van uit de Filippijnen naar Amerika geëmigreerde Chinezen; haar vader maakte carrière als bètawetenschapper. Chua trouwde met een New Yorkse Jood en doceert aan de Yale Law School; haar kinderen spreken zowel Engels als Mandarijn. Haar bestaan illustreert het succes van een door immigranten opgebouwde natie, die nog steeds als wereldwijde magneet werkt op talent. Zij betoogt dat het in Amerika’s belang is (selectief) immigranten te blijven toelaten, en ziet liever geen spierballenvertoon overzee.

Zoals elke hypermacht hebben ook de Verenigde Staten te maken met het probleem van de ‘lijm’: hoe hou je de stukken van je rijk bij elkaar? (Chua’s kernbegrip ‘glue’ is vertaald met ‘bindmiddel’, wat meer aan maïzena doet denken.) Zeer geslaagd was het Romeinse burgerschap, verstrekt aan overwonnen elites. In moderne democratische samenlevingen kan burgerschap echter moeilijk aan grote groepen buitenlanders worden uitgedeeld. Binnenlands heeft Amerika de honing van de melting pot, maar ‘buiten zijn grenzen is er geen politiek middel dat de Verenigde Staten verbindt met de miljarden mensen die onder hun hoede leven.’ Niemand in Washington overweegt alle Irakezen of de inwoners van alle NAVO-landen het Amerikaanse staatsburgerschap te verlenen.

De denkfout van het Amerikaanse imperialisme zoals uitgevoerd door de regering-Bush is dat de globalisering van de Amerikaanse levensstijl zou leiden tot een verlangen naar Amerikaans leiderschap. ‘Het feit dat een Palestijn een honkbalpet draagt en Coca-Cola drinkt, maakt hem nog niet tot een Amerikaan.’ Chua vindt een universele beschavingsmissie contraproductief en ongepast. George W. Bush oogstte er in de rest van de wereld anti-Amerikanisme mee en vernietigde zo de lijm van het stars-and-stripes-imperium. Obama daarentegen vergroot met zijn bescheiden opstelling Amerika’s morele kapitaal – en dus macht.

Hoezeer de auteur westerse beschavingsdrang verfoeit, valt op bij de bespreking van Groot-Brittannië. Het 19de-eeuwse Engeland beschouwde zich als moreel hoogstaande natie; de Britten waren trots op hun vroege afschaffing van de slavernij. Britse zendelingen in India bewerkstelligden in 1829 een verbod op sati, de hindoestaanse weduwenverbranding. Chua noemt dit verbod ‘rampzalig’, omdat het de eerste Britse inmenging was in een religieuze traditie en tot brede verontwaardiging onder hindoes leidde. Deze kritiek is opmerkelijk. In het intellectuele debat over westerse waarden en cultuurrelativisme wordt juist de weduwenverbranding wel aangehaald als zeldzaam voorbeeld van een onbetwist laakbare praktijk, een universele norm die relativisten doet wankelen. Het gebruik is na het vertrek van de Engelsen uit India in 1947 niet heringevoerd.

Chua’s begrip van ‘strategische tolerantie’ staat bewust ver af van respect voor mensenrechten in hedendaagse zin. Bij haar geen geschiedschrijving langs de meetlat van respect voor vrouwen, Joden of slaven – zoals Amerikaanse universiteiten wel produceren. Dat is prettig. Maar over hoe de tolerantiestrategie er uitziet, is ze weinig precies. De Romeinen mogen wel de Galliërs in toga hullen, maar de Britten geen Indische weduwen van de brandstapel redden. Dus wat nu met de boerka? Waar ligt de grens tussen tolerantie en zelfverloochening?

Chua meent dat China, hard op weg naar supermachtstatus, geen hypermacht kan worden. De Chinese natie zou niet in staat zijn het beste talent naar Peking of Shanghai te halen, omdat buitenlanders geen Chinees burger kunnen worden. Maar is dat voor dat doel wel nodig? De vreemdelingen die 2.500 jaar geleden Darius’ paleis in Soesa bouwden werden heus geen Pers. Dat hoefde ook niet; geld en kansen volstaan vaak. Heeft onze sterarchitect Rem Koolhaas niet met overgave de Olympische tv-toren in Peking gebouwd?

Wereldrijk voor een dag is een origineel, vol boek. Er zit een spanning in die de dubbele identiteit van de auteur weerspiegelt: wees een baken van vrijheid en magneet à la Amerika, maar vermijd inmenging in andermans zaken à la China. Hoe beide reuzen deze lessen zelf ter harte nemen zal komende decennia blijken.