Op hockeyavontuur in Japan

Siegfried Aikman is twee maanden bondscoach van de hockeyers van Japan. Bij een toernooi in Dublin lijkt zijn doel, plaatsing voor de Spelen van 2012, nog ver.

Siegfried Aikman Foto Orangepictures 16-11-2008: Hockey Heren: Tilburg - Bloemendaal: Tilburg: Bloemendaal wint met 3-2: Siegried Aikman, coach van Tilburg: fotograaf: Joep Leenen / Orangepictures Leenen, Joep;Orangepictures

Mark Hoogstad

Wel of niet plaatsnemen op de bank? Siegfried Aikman kiest voor het laatste. Toch houdt Japans eerste buitenlandse hockeybondscoach zich allerminst afzijdig op de tribune van het Belfield Hockey Centre in Dublin. Luidkeels zet de geboren Surinamer zijn spelers op hun plaats in het duel met Polen. In het Engels. „Ik kan me niet beheersen”, verontschuldigt hij zich al na een paar minuten.

Ruim twee maanden nu is Aikman (50) bondscoach van Japan, de bescheiden nummer veertien op de wereldranglijst. In Dublin meet zijn ploeg deze week de krachten met zeven andere landen uit de C-divisie van het internationale hockey tijdens de eerste editie van de Champions Challenge II. „Wij zijn hier om het toernooi te winnen”, zegt Aikman zaterdag, voorafgaand aan de oefenwedstrijd tegen Frankrijk (1-1).

Dat fraaie voornemen kan al na twee speelronden in de prullenbak. Maandag laat het onvolwassen Japan zich in de slotfase aftroeven door Polen (3-2), een dag later blijkt een andere Europese laagvlieger, gastland Ierland, te sterk: 3-0. „Mijn mannetjes vallen in het niet bij al die reuzen”, beseft de oud-coach van onder meer Den Bosch, Kampong en Tilburg. Gisteren sloot zijn ploeg de voorronde af met een benauwde zege (4-3) op het eveneens al uitgeschakelde Chili.

Toch wanhoopt Aikman niet. Komend najaar, bij een van de drie WK-kwalificatietoernooien, volgt een herkansing. Het doel – plaatsing voor de Olympische Spelen van 2012 – staat kaarsrecht overeind. Niet voor niets dragen zijn spelers hagelwitte T-shirts met de tekst Road to London. „Wij hebben een doel en durven dat te benoemen.” Bovendien: hij mist in Dublin zes basisspelers wegens studieverplichtingen. Aikman troost zich verder met de gedachte dat de veredelde B-selectie zijn aanbevelingen „verrassend snel” oppikt. „Tot voor kort was het rennen, rennen, rennen, met af en toe een stevig stokgevecht. Dat naïeve gedoe is verdwenen.”

Maar Aikman heeft nog een wereld te winnen in het land dat slechts tienduizend geregistreerde hockeyers telt. Neem de videoanalyse. Ook Japan staat al jaren met een videocamera langs de internationale kunstgrasvelden. Maar aan een gedegen analyseprogramma ontbrak het. „Het was vooral tapen om het tapen.” Van zijn spelers eist hij daarnaast betrokkenheid. „Ze zijn zeer gedienstig. Dat is prettig, maar ik wil ook discussie, geen eenrichtingsverkeer.”

Dat is al lastig genoeg. Aikman volgt momenteel Japanse lessen in zijn nieuwe woon- en werkomgeving, de miljoenenstad Nagoya. Zijn spelers spreken niet of nauwelijks Engels. Communiceren gaat dan ook letterlijk met handen en voeten, zoals in Dublin blijkt. Het is de reden waarom hij in Ierland kiest voor de tribune in plaats van de dug-out. Eén zinnetje kan Aikman echter dromen: Anata wa deki-ru! Met andere woorden: Yes, we can! Barack Obama vormt ook in Japan een bron van inspiratie.

Al geldt dat vooralsnog niet voor de beleidsmakers van de Japanse bond. Ook in bestuurlijke kringen hoopt Aikman een cultuuromslag door te voeren. Met hockey valt immers geen droog brood te verdienen in het land van de rijzende zon. „Gevolg is dat spelers, zeker nu met de economische crisis, na hun studie vrijwel onmiddellijk afhaken. Zij zijn de kostwinner, zij moeten straks hun gezin onderhouden.”

Hij heeft zijn nieuwe werkgever inmiddels verzocht de hulp in te roepen van zowel het bedrijfsleven als de universiteiten. Zijn oproep stuitte op gefronste wenkbrauwen. Aikman: „Regels zijn heilig in het gesloten systeem van Japan. Wie afwijkt van de platgetreden paden krijgt al snel te horen: sorry, kan niet, want daar hebben we geen regels voor.” Aikman zegt geen heiligschennis te willen plegen. „Maar een beetje medewerking van het bedrijfsleven en inschikkelijkheid van de universiteiten lijkt me niet te veel gevraagd.”