Ons smaakt de wijn heerlijk!

Vandaag 500 jaar geleden werd Calvijn geboren. Soberheid, bescheidenheid, gezag en kapitalisme: hij staat nog steeds voor heel veel.

Ongedateerde brief van Calvijn aan Farel Uit Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk'

Willem Balke e.a.: Johannes Calvijn. Zijn leven, zijn werk. Kok Kampen, 415 blz. € 45,-

Herman Selderhuis: Calvijn, een mens. Kok Kampen, 336 blz. € 24,90

Bruce Gordon: Calvin. Yale London, 398 blz. € 32,-

Frans Willem Verbaas: Heilig vuur. Mozaïek Zoetermeer, 400 blz. €19,50

Calvijnbonbons in de Dom van Dordrecht. Vandaag is het precies vijfhonderd jaar geleden dat Johannes Calvijn (1509-1564), of beter: Jean Cauvin, werd geboren in het Noord-Franse stadje Noyon. Congressen, tentoonstellingen, concerten en vooral talloze boeken markeren dit jubileumjaar. En het einde is nog niet zicht. Het is met Calvijn als met de apostel Paulus, kerkvader Augustinus of toneelschrijver Shakespeare – aan het schrijven van boeken over hem is geen einde. De uitbundige aandacht voor zijn werk zou Calvijn wel bevallen zijn, maar de belangstelling voor zijn persoon zou hem waarschijnlijk flink hebben tegengestaan.

Bijna het hele leven van Calvijn is gedocumenteerd. Zijn studie in Parijs en Orléans, zijn vlucht naar Zwitserland, zijn aanvankelijke verbanning uit Genève en zijn terugkeer. Niet alleen door de boeken die hij schreef, maar ook door de gigantische hoeveelheid brieven van zijn hand en door de duizenden preken die hij hield, die stenografisch zijn vastgelegd.

Al die informatie laat zich op talloze manieren en vanuit steeds nieuwe gezichtpunten ordenen en beschrijven. En dus is er, vier jaar na de Nederlandse vertaling van de Franse Calvijnbiografie van Bernard Cottret (Boeken, 25.11.05), de afgelopen tijd weer veel nieuws over hem verschenen.

Het in groot formaat uitgegeven boek onder redactie van onder meer de kerkhistoricus Willem Balke, heeft het karakter van een compendium. Het lopende verhaal over leven en werk van de reformator is van de hand van de Apeldoornse emeritus hoogleraar Willem van ’t Spijker. Dat wordt telkens onderbroken door op anders gekleurd papier afgedrukte beschouwingen van de hand van Calvijnkenners van over de hele wereld. Ze bieden minibiografieën van collega-theologen en andere tijdgenoten van Calvijn, samenvattingen van diens commentaren op bijbelboeken, besprekingen van bekende theologische kwesties, waaronder de dubbele predestinatie. Verder tal van essays over Calvijns kijk op fenomenen uit zijn tijd, zoals slavernij (waar hij mordicus tegen was), de positie van de vrouw (voor haar geen kerkelijk ambt) en de opvang van asielzoekers in Genève (van wie Calvijn er zelf één was). De verhalen zijn rijkelijk én functioneel geïllustreerd, waardoor het boek ondanks zijn omvang geen volgepropte indruk maakt. Kortom, meer dan een biografie, eerder een encyclopedie.

Dit boek over Calvijn is de pendant van een eerder bij Kok verschenen boek over Maarten Luther (Boeken, 13.05.08). Wat dan opvalt is hoezeer die twee kerkhervormers verschillen. Luther de oudere, volkse middeleeuwer. Calvijn de jongere, erudiete, beschaafde maar scherpe humanist, geworteld in de Renaissance, een filoloog die zijn klassieken kende en die uit het hoofd citeerde.

Voor wie niet terugschrikt voor wat theologisch jargon, biedt dit boek een gigantische hoeveelheid informatie over Calvijns denken en doen. Bovendien geeft het inzicht in de politieke verhoudingen in Europa die de verspreiding van het calvinisme in de hand werkten. Want zonder de strijd van vorsten om de hegemonie en de pauselijke interventies in die strijd was het nooit zo ver gekomen met het protestantisme. Ook de tegenstellingen tussen allochtonen en autochtonen in Genève en de concurrentie tussen de diverse steden in Zwitserland worden overzichtelijk getekend. Overlappingen tussen de verschillende bijdragen blijven binnen de perken. Een kleine tekortkoming van dit boek is het gebrek aan een echte informatieve kaart. Pas door een atlas te raadplegen werd me bijvoorbeeld duidelijk dat met het frequent opduikende Waadland het Zwitserse kanton Vaud wordt bedoeld.

Een totaal ander karakter heeft het boek van de Apeldoornse kerkhistoricus Herman Selderhuis. Hij had niet zoveel met de persoon Calvijn, maar wilde wel eens weten wie hij was, gezien de grootschalige effecten van zijn optreden. In tien hoofdstukken met titels als ‘de wees’ ‘de pelgrim’, ‘de vluchteling’, ‘de zeiler’, ‘de weduwnaar’ probeert hij de kerkhervormer zo dicht mogelijk op de huid te komen. Hij wil weten hoe hij in elkaar steekt. Daartoe heeft Selderhuis zijn persoonlijke correspondentie doorgewerkt. De mens wordt immers in zijn brieven het intiemst zichtbaar. ‘Ik word zo moe van dat voortdurende geschrijf dat ik er vaak zelfs een hekel aan krijg en ik dat schrijven eigenlijk gewoon haat’, laat de veelschrijver Calvijn zich ontvallen.

Soms leveren die brieven observaties op die haaks staan op het clichébeeld van Calvijn. Bijvoorbeeld dat hij wars van alle genoegens was. ‘Als wijn vergif is voor een dronkaard, wil dat toch niet zeggen dat wij er een afkeer van moeten hebben?’ schrijft hij. ‘Alsjeblieft niet zeg. Wij laten ons daar de smaak niet door bederven, integendeel, ons smaakt de wijn heerlijk!’

Selderhuis gaat het beeld te lijf dat Genève een soort gereformeerde DDR was, met Calvijn als nietsontziende en alles overziende partijleider. Dansen op straat werd al verboden voordat Calvijn naar de stad kwam. Wat in Genève gebeurde, verschilde niet zoveel van wat zich elders voordeed. Men wilde geen maatschappelijke, politieke en religieuze verdeeldheid, want dan kon stad of land zo maar in verkeerde handen vallen. De opstand van de wederdopers in Münster had wel geleerd hoe religieuze tegenstellingen uit de hand konden lopen.

Selderhuis rehabiliteert de soms aangevochten stelling van Max Weber, dat het calvinistische arbeidsethos de basis legde voor het kapitalisme. Calvijn ontbrak het in elk geval niet aan arbeidsethos. Soberheid en ijver kenmerkten zijn eigen leven. Zelfs als hij ziek was probeerde hij door te werken en hij was hopeloos gefrustreerd als hij beloofd werk niet bijtijds af had. Vanaf 1549 preekte Calvijn elke zondag twee keer, om de andere week ook nog dagelijks, drie keer per week gaf hij in colleges uitleg van de Bijbel en daar kwamen de wekelijkse kerkelijke vergaderingen nog bij. Hij ging wel eens de stad uit – op zondag met de boot – maar dan toch vooral om ongestoord te kunnen werken. Wel verklaarbaar dat hij op zijn 54ste helemaal op was. Hij had geleefd voor twee.

Af en toe klinkt Herman Selderhuis als een christelijke gereformeerde Maarten van Rossem, bijvoorbeeld als hij het heeft over ‘gereformeerde bikkels’, ‘God is in control’ of Calvijn aanduidt als ‘de Fransoos’ – een kennelijke poging het boek bij alle tekstuele verantwoording laagdrempelig te houden. Dat soort populisme heeft het boek niet nodig.

De namen van Selderhuis, Balke, Van ’t Spijker en andere Nederlandse kerkhistorici duiken ook op in de bibliografie van de dezer dagen verschenen Calvijnbiografie van de Canadese kerkhistoricus Bruce Gordon. In zijn boek focust hij op het karakter van de kerkhervormer. De persoon Calvijn viel samen met zijn missie. Hij las zichzelf de Bijbel binnen en identificeerde zich, tot in het taalgebruik toe, met Mozes, David en Paulus, grote figuren uit het Oude en Nieuwe Testament. Ondanks de gigantische omvang van zijn geschriften is over de persoon achter de missie relatief weinig bekend, schrijft Gordon. Waarom reageerde hij zo onderkoeld op de dood van zijn vader? En waarom is er zo weinig informatie over zijn huwelijk met Idelette de Bure? Zelfs in het autobiografische voorwoord bij zijn verklaring op de Psalmen maakt hij er geen gewag van. Ook in latere brieven komt ze nauwelijks ter sprake.

Calvijn vond zijn boodschap veel belangrijker dan zijn persoon, concludeert Gordon. Huwelijk, vriendschappen, het was allemaal ondergeschikt aan zijn missie. Kritiek op zijn werk viel samen met kritiek op Hem door wie hij zich gezonden wist. Hij wás zijn missie en vergde volledige loyaliteit van zijn volgelingen. Als geestverwanten, leermeesters of collegae in leer of leven afweken van de door hem uitgezette lijnen of kritiek op hem hadden, dan reageerde hij gebeten. Theologische verschillen waren persoonlijke geschillen. Hij voelde zich gauw gekwetst en vernederd. Misschien is dat ook de verklaring dat hij zijn persoon liever buiten beeld plaatste. Op zijn uitdrukkelijk verzoek is hij in stilte begraven. Van ‘lijkpredikatiën’, kerkdiensten waarin de loftrompet wordt gestoken over de overledene, moest hij niets hebben. Bij het graf van Maarten Luther in de slotkapel van Wittenberg kun je je nog altijd laten fotograferen, maar van Calvijn hebben we alleen de boeken nog.

Gordon wijst er verder op dat Calvijn wel erg gevoelig was voor contacten met hooggeplaatste en invloedrijke figuren uit zijn tijd. Zo vestigde hij (vergeefs) zijn hoop op de Franse adel bij zijn pogingen zijn geboorteland van een rooms-katholieke in een protestante natie te veranderen. Als Jacob van Bourgondië, een neef van Karel V, overgaat tot het protestantisme, dan ruikt hij onmiddellijk kansen voor de verspreiding van zijn boodschap. Hij behandelt hem met alle egards als hij naar Genève komt en blijft daarna zijn echtgenote, Yolanda van Brederode, brieven met adviezen schrijven.

Fictie hoort in deze bespreking eigenlijk niet thuis. Maar het is wel heel verleidelijk hier een recent verschenen historische roman te noemen, waarin de rauwe randen van Calvijns karakter op een intrigerende manier worden belicht. De Schoonhovense predikant Frans Willem Verbaas publiceerde een boek over de Geneefse predikant Henri de la Mare. Hij was een stad- en tijdgenoot van Calvijn, deelde diens afkeer van de praktijken van de rooms-katholieke kerk, maar kon zich evenmin vinden in leer en leven van de kerkhervormer. Uiteindelijk wordt De la Mare, na deelname aan een danspartij bij een huwelijksfeest, door Calvijn uit Genève weggewerkt en gedwongen de wijk te nemen naar het deel van Zwitserland dat onder de jurisdictie van Bern viel. Bij de laatste, dramatische confrontatie stelt De la Mare vast dat timor purus, pure angst, Calvijns hele leven tekende.

Verbaas verantwoordt in een nawoord de historische basis van zijn roman. Het boek volgt zoveel mogelijk de feiten. Maar door de fictie waarvan hij zich bedient, krijgen de feiten extra zeggingskracht. Hij schetst de desastreuze effecten van een pestepidemie op de samenleving. Hij maakt de spanningen tastbaar tussen de autochtone bewoners van Genève en de groeiende macht van de Franse vluchtelingen. Slim is de constructie van een grote affiniteit tussen de echtgenotes van Calvijn en De la Mare, als contrapunt voor de animositeit tussen de twee heren. Ze staan elkaar bij in tijden van ziekte en bij het sterven van hun jonge kinderen. ‘De echtgenotes van De la Mare en Calvijn hebben in ieder geval hun namen gemeen met de historische Clauda Deleamont en Idelette de Bure’, schrijft Verbaas in zijn nawoord. ‘Ik hoop dat beide vrouwen in werkelijkheid ook zulke levenswijze, relativerende en humoristische vrouwen zijn geweest.’

Verbaas kán vertellen. Als theologische disputen en dialogen het verhaal dreigen stil te zetten, weet hij het op tijd weer de vaart te geven die nodig is om geboeid te blijven doorlezen. Dit is misschien wel de meest geslaagde theologische roman sinds de verschijning in 1950 van Henry Morton Robinsons The Cardinal. In elk geval een welluidende tegenstem tegen al het recente hallelujageroep over Calvijn.