Nee, ik had geen paspoort mee naar het café

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 5: een verblijf in een politiecel aan de Prinsengracht in Amsterdam.

Politiebureau Prinsengracht Amsterdam. Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Het was een prachtige avond geweest. Vrolijk aangeschoten fietste ik naar huis. Vlakbij het Rembrandtplein – ik woon in Amsterdam – werd ik afgesneden door een agente op een politiepaard.

Ze droeg beenbeschermers en een helm en wees me op een verkeersovertreding die ik had gemaakt. Ik fietste door een voetgangersgebied en dat was – ook ’s nachts en ook als er geen voetgangers waren – verboden.

„Dag paard”, zei ik tegen het paard dat me vriendelijk aankeek en ik aaide zijn hoofd.

„Pardon?”, zei de agente. „Wat zei je?”

„Paard.”

Er groeide een misverstand. Of ik me kon identificeren?

Nee.

Ik had geen paspoort meegenomen naar het café.

Heel stom.

„U moet zich altijd kunnen identificeren”, zei de agente. „Ook als u naar de bakker gaat. Dat is de wet.”

Ze pakte de portofoon, die aan de riem op haar heup bungelde, en vroeg om versterking. Die kwam in de vorm van twee dienders met platte pet.

Ik mocht mijn fiets op slot zetten en daarna kreeg ik handboeien om. Want dat hoorde bij de standaardprocedure.

Ik werd in een politiebusje gestopt. Daarin zaten een dronken man – die zat niet, die hing – en een wildplasser. Op de voorbank zat een agente te spelen met een mobiele telefoon.

„Echt belachelijk dit”, zei ik.

De agente op de voorbank draaide zich om.

„U mag niet praten! Dat maakt het alleen maar erger. Het heeft geen zin.”

Even later viel de dronken man van de bank.

De wildplasser: „Hij ligt op de grond.”

„Ssst”, zei ik.

Twee agenten hesen de man weer op de bank.

De agente op de voorbank sprak hem toe.

„U moet gewoon blijven zitten. Ja? Meneer? Hoort u mij? Blij-ven zit-ten!”

Een kwartier kwam er een blond meisje bij. Ze had een breezer tegen een bushokje gegooid.

„Ik wilde ’m in de prullenbak gooien, maar het ging mis...”

Daarna kreeg ze de slappe lach.

Op de stoep lagen haar vriendinnen. Staan kon niet meer, ook vanwege de slappe lach.

Een agent sloeg met de platte hand tegen de deur van het busje. „Volle bak.”

Er stapte nog een agent in, een jongen van een jaar of 25. Hij vroeg of we scherpe voorwerpen bij ons hadden.

We schudden het hoofd.

„Echt niet? Anders hebben we op het bureau dadelijk een probleem.”

En daar gingen we.

We werden ‘afgeleverd’ op bureau Prinsengracht. Achter de balie stond een agent met een kaalgeschoren hoofd. Hij had het druk die nacht, tenminste dat zei hij tegen een collega.

Ik vertelde wat er gebeurd was. Dat ik door een voetgangersgebied had gefietst, dat ik ‘paard’ tegen een politiepaard had gezegd, dat de agente op het paard dacht dat ik haar een paard vond, dat ik geen legitimatiebewijs bij me had en dat ik – eenmaal geboeid – tegen een andere agent, die door het voetgangersgebied kwam aangegaloppeerd nog wat dingen had gezegd.

Het kale hoofd keek op uit zijn papieren.

„Zoals?”

„Ivanhoe”, zei ik.

Voorlopig, tot mijn identiteit was vastgesteld, moest ik blijven.

Ik moest mijn zakken leeg maken, mijn riem afdoen en mijn schoenen uittrekken. Het werd allemaal genoteerd en in een plastic tas gestopt. Of er iemand was, die ze konden bellen, om mijn paspoort op te halen?

Het was 4.30 uur.

Ik wist niemand.

Ik wilde het wel zelf – onder begeleiding uiteraard – halen.

De kale agent schudde het hoofd. Daarvoor hadden ze het te druk. Wellicht dat ze later gingen kijken. Of ze dan bij de buren mochten aanbellen?

„Die slapen.”

„Dan hebben we een probleem”, zei de kale agent en hij trok plastic handschoenen aan.

Ik werd nogmaals gefouilleerd.

Hij bracht me naar mijn cel. Het was een ruimte van twee bij drie meter met een glazen wand, een houten plank/bank en een celdeur met een ruitje.

Er zat een bel.

Daarop mocht ik drukken als ik naar de wc moest. Of als er wat anders dringends was.

Ik ging op de bank liggen en keek door de ruit naar de bedrijvigheid binnen. Af en toe passeerde telkens dezelfde agent met een bekertje koffie. Een dikke buik, zweetplekken in de blouse.

Na twee uur werd ik onrustig.

Ik sloeg met de hand op de glazen wand.

Geen reactie.

Ik drukte op de bel.

De kale agent die me had ingeschreven opende de deur.

„Ja?”

Ik wilde weten wanneer ik vrij kwam, want ik werd een beetje gek. Hij wist het niet.

Dat hing van de officier van justitie af en die was er niet. Hij zou overleggen.

„U hoeft dus niet naar de wc?”

Op de muur stond een boodschap gekrast. Leo Jules. Ik vroeg me de hele tijd af hoe Leo dat gedaan had. Met zijn nagels?

Geschreeuw.

In de cel naast me had de dronken man gekotst. Ik zag de dikke agent met de zweetplekken onder de armen lopen met een gele emmer en een zwabber.

Mijn celdeur zwaaide open.

Een van de agenten te paard, degene die ik had uitgescholden voor Ivanhoe, kwam op bezoek. De helm nog op het hoofd.

De officier was er nog steeds niet. Ze hadden mijn gegevens gecheckt in de computer. Of ik nog steeds op hetzelfde adres woonde? Ze hadden, vanwege de werkdruk, geen tijd om er langs te gaan.

Hij had drie bekeuringen gemaakt. Eentje voor fietsen in een voetgangersgebied, eentje voor het niet hebben van een identificatiebewijs en eentje voor rijden zonder licht, want dat was ook opgevallen.

„Eigenlijk verdient u er ook een voor belediging, maar die heb ik achterwege gelaten. Ik heb een goede bui.”

Het leek me het beste om vooral heel aardig te doen.

Ik bedankte hem en zei dat hij dat ‘Ivanhoe’ niet persoonlijk moest nemen.

En ‘paard’ was ook niet zo bedoeld.

Hij: „Maar het is wel gezegd. Laat het een les zijn.”

Bij de balie kreeg ik mijn zak met spullen terug. De agent daar, weer een andere, begon over de werkdruk op het bureau. Die was ’s nachts enorm hoog.

Voor mijn cel hadden ze al weer een ander.