Naakt met zonnebril

Vrouwelijke kunstenaars aan de top zijn geen uitzondering meer. Het Van Abbemuseum blikt terug op andere tijden.

Still uit het videokunstwerk ‘Feminine Sensibility’ van Lynda Benglis

Daar staat Jo Baer, kaarsrecht, een slanke, rijzige gestalte met opgestoken zilverwit haar. De 80-jarige kunstenaar (geboren in Seattle, woonachtig in Amsterdam) vertelt een groepje mensen in het Van Abbemuseum waarom zij begin jaren zeventig besloot om als kunstenaar opnieuw te beginnen. „Het was 1968, met zijn studentenprotesten en anti-Vietnamdemonstraties. De hele wereld veranderde. Hoe kan je dan blijven bij oude utopische idealen?”

Zo kwam het dat Baer, net toen ze internationaal was doorgebroken met een tentoonstelling van abstracte, minimalistische schilderijen in het Whitney Museum of American Art in New York, de abstracte kunst de rug toekeerde. Ze vond dat die in zichzelf gekeerd was, een doodlopende weg, en ze ging op zoek naar een manier van schilderen die uitdrukking zou geven aan de maatschappelijke veranderingen. Na jaren van omzwervingen door Europa vestigde ze zich in 1984 in Amsterdam, waar ze sindsdien werkt aan figuratieve schilderijen.

Het werk van Baer is nu te zien op een expositie in het Van Abbemuseum van drie vrouwen uit opeenvolgende generaties. Het is een tentoonstelling met een missie. Jo Baer, Lynda Benglis en Jutta Koether nemen stelling tegen een diepgewortelde traditie van de schilderkunst als een domein dat altijd werd beheerst door mannen. Baer had zich in die mannenwereld een plaats veroverd met heldere en strenge doeken. Ze schilderde twee- en drieluiken in monochroom wit met smalle, zwart omkaderde, gekleurde banen aan de randen. Untitled (Black Star) (1961), een zwart doek met gekleurde randen en twee rode sterren, roept associaties op met heraldiek, of een nationale vlag, maar het onttrekt zich aan een specifieke betekenis.

Tot niet zo lang gelden was

de overheersende opvatting kortweg dat vrouwen niet konden schilderen. Als er af en toe een was die het wel bleek te kunnen, en dan ook nog op forse formaten, bracht dat een schok van ongeloof teweeg. Zoals met de Amerikaanse Lee Krasner in de jaren vijftig en Susan Rothenberg in de jaren zestig. In Nederland bewaakten tot in de jaren tachtig de docenten aan Ateliers ’63, bijgestaan door museumdirecteuren, het bolwerk van mannenschilderkunst. Toen vrouwen eenmaal in groten getale hun plaats in de kunst begonnen op te eisen, kozen velen van hen dan ook voor nieuwe kunstvormen als performance en video, waarin ze zich op een gelijkwaardige manier konden manifesteren. Inmiddels is de strijd gestreden en zijn vrouwelijke kunstenaars even succesvol als mannen op alle gebieden van de kunst. Dat binnenkort de eerste vrouwelijke directeur aantreedt in het Stedelijk Museum is een mijlpaal in deze geschiedenis.

De tentoonstelling in het Van Abbemuseum blikt hierop terug. Hoe moedig haar stap ook was, pionier Baer blijkt er niet echt in geslaagd haar figuratieve manier van schilderen zeggingskracht te geven. Haar schilderijen hebben alles wat door de modernisten verboden was: gefragmenteerde en verhalende composities vol symboliek, citaten uit de klassieke schilderkunst, (zelf)portretten. Veel stijve penissen, zoals van een vallende Egyptische krijger met daarboven een naakte vrouw die uitdagend haar aars toont, getuigt van Baers militante feminisme, maar niet op een originele manier.

De jongste van de drie vrouwen, Jutta Koether (1958, Keulen, woonachtig in New York), ‘onderzoekt het medium schilderen door haar werk in installaties te plaatsen, alsof ze een dialoog met elkaar aangaan’, aldus de informatie, en maakt zo ‘verenigbaar wat niet bij elkaar hoort’. Koether schildert onder meer reprises van landschappen van Cézanne en Poussin in rozerode zuurstokkleuren. Ze exposeert die landschappen in aluminium lijsten met glasplaten aan weerskanten, zodat ook de achterkant zichtbaar is. De opstelling en de verlichting door theaterlampen kan niet verhullen dat het middelmatige schilderijen zijn. Koethers werk berust op het misverstand dat wanneer je naar veel zaken verwijst, zoals kunstgeschiedenis, museumarchitectuur, theater, je vanzelf een boeiend en gelaagd kunstwerk krijgt.

Zo lijkt de expositie juist te bevestigen dat vrouwen niet kunnen schilderen. Er wordt een versleten tegenstelling opgeroepen tussen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ in de kunst. Mannelijk, zoals het vroege werk van Baer, staat voor orde, zelfbeheersing, discipline, utopie. Vrouwelijk voor ordeloosheid, fragmentatie, emotie en spontaniteit, lichamelijkheid, en een voorliefde voor het vertellen van verhalen. Het is een nergens op gebaseerd en betuttelend idee dat je niet verwacht in een museum dat zich beroept op zijn vernieuwende visie op de kunst. Het Van Abbe toont hier vrouwenkunst als één groot cliché.

Gelukkig is er ook nog Lynda Benglis (1941, Lake Charles in Louisiana, woont in Verenigde Staten en India). Dit is haar eerste museumtentoonstelling in Europa. Benglis bevrijdt zich van de oude rolmodellen met scherpzinnig en humoristisch werk. Ze kreeg bekendheid toen ze in 1974 in het tijdschrift Artforum een naaktfoto van zichzelf publiceerde, glanzend gebruind, strijdlustig pronkend met een vlinderzonnebril en een grote dildo. De foto was onderdeel van een serie advertenties, waarin Benglis in verschillende gedaantes poseerde voor haar tentoonstelling in de galerie van Paula Cooper.

Met de foto in Artforum bekritiseerde zij de manier waarop vrouwen door mannelijke kunstenaars werden afgebeeld en het commerciële aspect van het kunstsysteem. Het was ook een reactie op een eerder in Artforum geplaatst portret van de kunstenaar Robert Morris als macho, halfnaakt, met zonnebril en leren hesje. Het werd een enorme rel.

Ook met haar videowerken

becommentarieerde Benglis de dubbele moraal van de kunstwereld. Female sensibility (1973) toont haar en haar vriendin terwijl ze elkaar kussen en strelen, in een verwijzing naar onder meer De Kus van Rodin. En haar sculpturen en reliëfs verwijzen naar het werk van grote Amerikaanse schilders als Jackson Pollock en Morris Louis. Ze nam het „expressieve gebaar” op de hak door gekleurde latex uit te gieten over de vloer, zodat een kleurrijke, vormloze, gestolde massa ontstond. Maar haar sculpturen zijn meer dan een commentaar op kunst van anderen. Hun stroperige vormloosheid heeft een monumentale werking. De combinatie van een kritische houding en een groot begrip van het materiaal waarmee ze werkt, levert een prachtige openheid en dubbelzinnigheid op.

Het recente werk Ghost Shadows (2007) toont een nieuwe kant van Benglis. Het zijn kronkelige reliëfs van kippengaas, bespoten met vernevelde rubber. Dit materiaal is levenloos, dicht en grijs. Al wegen de reliëfs waarschijnlijk bijna niets, ze lijken loodzwaar. Ze zijn de aankondiging van een naderende dood. De beelden van Benglis gaan aan de thematiek van de trio-tentoonstelling ver voorbij. Dat geeft hoop. Want wat zou het fijn zijn als we de discriminerende ideeën over mannelijke en vrouwelijke schilders ooit eens achter ons zouden kunnen laten.

Jo Baer, Lynda Benglis en Jutta Koether, Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. Tot 4 okt. Di-zo 11-17u, do 11-21u.