Moreel appèl op zorg

De tweede fase in de al jaren durende hervorming van de gezondheidszorg is aangebroken. Het verzekeringsstelsel van het vorige kabinet had de opmaat moeten worden voor verdere commercialisering. Maar de huidige bewindslieden van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) achten de tijd rijp voor een andere architectuur van ‘cure’ en ‘care’. Want daar komt de brief aan de Tweede Kamer, die minister Klink (CDA) en staatssecretaris Bussemaker (PvdA) gisteren hebben gestuurd, op neer. Volgens hen zijn de verantwoordelijkheden niet helder afgebakend. En dat heeft geleid tot (bijna) failliete ziekenhuizen en thuiszorgkoepels.

De bewindslieden van VWS noemen man en paard. In de thuiszorg hebben managers rondgelopen met megalomane fantasieën over groei en fuseren. Deze „cowboys”, voor wie winst belangrijker is dan kwaliteit en continuïteit, moeten buiten de deur worden gezet. Winst maken mag, maar alleen als dat niet ten koste gaat van de zorg. De bewindslieden doen zelfs een „morele oproep” tot „leiderschap met een missie, waarbij de cliënt en diens belangen centraal staan in plaats van louter financieel gedreven leiderschap”.

Klink en Bussemaker zijn niet bang dat dit beleggers zal afschrikken. Door de vergrijzing en toenemende vraag is de zorg een „veilig domein”. Bovendien willen ze de meest voor de hand liggende investeerder juist wel toelaten. Verzekeraars mogen volgens de brief ook zorgaanbieder worden. Het verbod op verticale integratie wordt dus opgeheven. Daarin hebben de bewindslieden gelijk.

Maar de structuur die Klink en Bussemaker schetsen, is weer te gecompliceerd. De maatschappelijke zorgmarkt wordt in hun model opgetuigd met een groot aantal extra controlelagen en organen, die toezicht moeten houden op de nieuwe formele verhoudingen. Het toezicht op de besturen in de zorg wordt geprofessionaliseerd en versterkt. Hetzelfde geldt voor de patiënten, de cliëntenraden en de lokale overheden. De bestuurders, wier inkomen aan een maximum wordt gebonden, moeten op hun beurt ook persoonlijke aansprakelijkheid gaan dragen, zodat er werkelijk sancties komen te staan op wanbeleid. En daarnaast komt er een „early warning-systeem” om al dan niet financiële problemen tijdig op te sporen en op te lossen.

Deze verhoudingen zijn al complex. Maar ze worden nog ingewikkelder doordat ze ook invloed hebben op de samenwerking en bevoegdheden van maar liefst drie externe organen: de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Nederlandse Zorgautoriteit en de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Zo’n hybride structuur laat zich zelfs niet in een organogram samenvatten, bewijst de brief van Klink en Bussemaker zelf.

Toch is hun schets een goede poging de besluitvorming vlot te trekken. Het is een illusie te denken dat de zorg, nu de commercialisering op haar grenzen is gestuit, gewoon maar weer onder de paraplu van de Staat moet gaan schuilen. De brief van de bewindslieden biedt de basis voor goede en diepgaande meningsvorming in parlement en maatschappij.