'Ik word steeds een beetje strenger voor mezelf'

Illustrator Sieb Posthuma krijgt het Gouden Penseel voor zijn fabeltekeningen. „Vroeger was ik al blij als het op een vos leek, nu wil ik echt de béste vos op papier zetten.”

Illustraties van Sieb Posthuma uit zijn met het Gouden Penseel bekroonde fabelboek ‘Boven in een groene linde zat een moddervette haan’. Posthuma, Sieb

„Dat ik juist voor dit boek de prijs heb gekregen, maakt me heel blij. De jury beloont hiermee mijn experimenteerdrift.” Dat zegt tekenaar Sieb Posthuma (49), die dit jaar het Gouden Penseel krijgt voor Boven in een groene linde zat een moddervette haan, een boek met 75 dierfabels. De Penseeljury kende hem al twee maal een Vlag en Wimpel toe en een Zilveren Penseel. Als medewerker van deze krant schrijft en tekent hij in het Cultureel Supplement al acht jaar verhalen over de hond Rintje, gebaseerd op zijn, inmiddels overleden foxterriër.

Het illustreren van de 75 dierfabels was Posthuma’s grootste klus tot nu toe. Het plot van de fabels is gebaseerd op die van de Franse schrijver La Fontaine en de Griekse fabeldichter Aesopus, maar bewerkers Maria van Donkelaar en Martine van Rooijen hebben ze op hun eigen manier aangekleed en op rijm gezet. Hoofdrolspelers van de fabels zijn dieren als de nachtegaal, de kraanvogel, krab en wezel. Die zaten niet allemaal in Posthuma’s repertoire. Hij begint dan met de bestudering van de dieren op internet, waarna hij heel veel gaat schetsen.

„Ik ga eerst heel goed de tekst lezen: wat is dit voor verhaal? Voor ieder boek ontwikkel ik dan een soort handschrift.” Zo maakte hij voor het grappige boek Aadje Piraatje bijna stripachtige tekeningen met felle kleuren, terwijl hij voor Spin op sokken transparante kleuren gebruikte. Voor Boven in een groene linde heeft hij veel technieken uitgeprobeerd die hij niet eerder gebruikte, waaronder potlood, het vermengen van kleuren en collages. „Ook in zo’n groot boek moet het iedere keer weer spannend zijn om de bladzijde om te slaan. Dat heb ik geprobeerd voor elkaar te krijgen door technieken af te wisselen, ze te combineren en veel of juist weinig detail aan te brengen.

„Ik ben opgeleid als kunstenaar, maar zie mezelf nu als ambachtsman. Het gewicht van die benaming, of misschien juist het gewichtsloze, vind ik heel prettig.” In 1987, net afgestudeerd aan de Rietveld academie, in de richtingen schilderen en grafiek, was illustreren geen voor de hand liggende carrièrekeuze. Een jaar lang richtte Posthuma zich op de autonome kunst en schilderde hij in een atelier. „Dan stond dat witte doek daar op die ezel en daar hing dan zo’n zware symboliek aan: nu moet ik kunst met een grote K gaan maken. Dat vond ik een last.” Via via kreeg hij opdrachten voor kranten en tijdschriften en kwam hij erachter dat het werken op een klein oppervlak hem beter beviel. Ook prettig vond Posthuma dat het werk meteen een groot publiek vond – minder select dan de mensen die naar kunst kijken. Toch heeft hij veel aan zijn vooropleiding gehad. „Door de vrije technieken van bijvoorbeeld etsen en schilderen die ik daar heb geleerd en uitgeprobeerd, benader ik het illustreren ook heel vrij.”

Visuele grapjes en gelaagdheid kenmerken Posthuma’s stijl. Bij een eerste blik zie je bijvoorbeeld een wolf verkleed in schaapskleren tussen andere schapen. Bij een tweede blik valt op dat de vrouwelijke schapen onder de indruk zijn van dit grote ‘schaap’. Ze lonken naar hem met hun lange wimpers.

Posthuma’s illustraties zijn altijd ‘gekaderd’, alsof de lezer door een venster of een sleutelgat kijkt. Het is daarom goed voor te stellen dat zich buiten dat kader nog van alles afspeelt.

De kern Posthuma’s manier van werken is de afgelopen vijftien jaar niet veranderd, maar als hij nu werk van vroeger openslaat ziet hij toch verschil. Dat ligt vooral in de zorgvuldigheid van de details. „Veel tekenaars die hun werk bekroond zien, worden nonchalanter, maar ik word steeds strenger voor mezelf. Zitten de poten op de juiste plaats? Hoe beweegt het dier? Vroeger was ik al blij als het op een vos leek, nu wil ik echt de béste vos op papier zetten.”

Een illustratie, zowel voor kinderen als volwassenen, moet volgens Posthuma op zichzelf staan. De illustratie moet zonder de tekst te begrijpen zijn. Gebeurt er veel in de tekst, dan houdt Posthuma de illustratie rustig, en andersom. „Zou je alles gaan tekenen, dan ontstaat er geen spanning tussen tekst en illustratie. De illustratie moet een tekst niet verklaren, maar wel versterken.”

Inmiddels weet Posthuma goed welke opdrachten hij wel en welke hij niet moet aannemen. Educatieve boeken illustreren is niets voor hem, heeft hij ondervonden. „Dat is heel erg strikt, je tekent precies wat ze je opdragen. Illustreren is een toegepast vak en dat vind ik prima, maar binnen die beperking wil ik me zo vrij mogelijk voelen.” Alleen als hij meteen overtuigd is, zegt hij ja. Dat heeft hij bijvoorbeeld altijd met de teksten van Ted van Lieshout, die net als zijn eigen werk gelaagd zijn en een cynisch randje hebben. „We slaan dezelfde toon aan: niet moraliserend. Het leven is soms naar, eng of een beetje gek. Die kant herkennen kinderen ook heel goed en dat vinden ze wel spannend.”

Het zou kunnen dat Posthuma over tien jaar niet alleen meer illustreert. „Ik heb al eens de decors ontworpen voor een dansvoorstelling, Coppelia van het Nationale Ballet, en daar wil ik wel verder mee. Ik zou heel graag nog eens opera doen.”

Illustraties uit het boek Boven in een groene linde (uitgeverij Gottmer) zullen van 7/10 t/m 7/12 te zien zijn in het Rijksmuseum Amsterdam. Het Gouden Penseel wordt daar op 7 oktober uitgereikt.

    • Stephanie van Strijen