'Ik heb een driftige natuur, maar ik houd me in'

Zijn zesde roman, Het diner, maakte Herman Koch (55) van een gewaardeerd auteur tot een bestsellerschrijver. Van het boek – over een etentje van twee echtparen die niet weten hoe te reageren op de misdaad van hun puberzoons – werden in een half jaar 200.000 exemplaren verkocht. Koch brak in 1989 door met de roman Red ons, Maria Montanelli en kreeg daarna grote bekendheid met het televisieprogramma Jiskefet (VPRO). Hij verzet zich tegen de gedachte dat hij satire bedrijft: ‘Koot en Bie, dat was satire. Ik vergroot niets uit. Ik probeer dingen van een andere kant te laten zien.’

Uw roman ‘Het diner’ werd in deze krant eerst zeer enthousiast besproken, maar na enkele maanden verscheen een tweede, kritisch stuk van Arnold Heumakers. Verraste die kritiek u?

„Ik was behoorlijk verbaasd, ja. Normaal gesproken wordt één recensie toch als voldoende beschouwd. Daarna zie je nog weleens een interview met de schrijver, maar een nieuwe bespreking is vreemd. Ik denk ook niet dat het was gebeurd als er 4.000 exemplaren van Het diner waren verkocht. Maar als een boek heel goed loopt, ontstaat kennelijk de behoefte om iets te corrigeren.”

In de discussie die vervolgens werd gevoerd in het televisieprogramma ‘De wereld draait door’ was de boodschap dat het geven van die kritiek verboden is. ‘Tafelheer’ Hugo Borst leek vooral te willen zeggen dat een intellectueel als Heumakers zijn bek moest houden.

„Dat gesprek verliep heel moeizaam. Het is lastig om in zo korte tijd op televisie echt de diepte in te gaan. Waar het Hugo Borst volgens mij vooral om ging, was dat de mening van de één niet speciaal meer waard is dan die van de ander. Die discussie werd vervolgens in stukken in de krant weer aangehaald als een soort populisme en daarna is die uitzending een eigen leven gaan leiden. Maar de kwestie die Heumakers aansneed, was op zichzelf interessant. Ik heb het er vóór en na de uitzending aan de bar nog uitgebreid met hem over gehad.”

Heumakers verbaasde zich in zijn stuk over de lof die u van critici kreeg. Hij vond het einde van de roman, waarin de verteller een agressieve psychopaat blijkt, een zwaktebod.

„Het wonderlijke is dat ik die hoofdpersoon helemaal geen psychopaat vind. Hij heeft een afwijking, maar is niet knettergek. Wat hij heeft, is met pillen goed te onderdrukken. Zo’n uitzonderlijk geval vind ik hem niet.”

Zo zijn we allemaal?

„Nou, dat misschien ook weer niet, maar het is geen onberekenbare gek. En zeg nou zelf: welk écht goed boek is er geschreven over mensen die volslagen normaal zijn?”

Je kunt die afwijking zien als een noodgreep, een romantechnische stoplap van een schrijver die niet meer weet hoe hij een eind aan het verhaal moet breien. Worstelde u met het slot?

„Nee, eigenlijk helemaal niet. Ik ben heel druk bezig geweest met de compositie, maar dat ging vooral om het eerste deel van de roman, waar ik veel uit geschrapt heb. Over dat kleine psychopathische kenmerk van Paul [de verteller van Het diner] heb ik me niet zo’n zorgen gemaakt.”

Onderdrukte agressie is geen nieuw fenomeen in uw werk. Het speelt ook een grote rol in ‘Odessa star’, uw vorige roman en het keerde regelmatig terug in het televisieprogramma Jiskefet.

„Zeker, en ook al in mijn debuut Red ons, Maria Montanelli, waarin een gehandicapt kind wordt mishandeld. Alles overziend zie ik wel dat het een thema is. Wat geen schande is: van wel meer schrijvers wordt gezegd dat ze altijd hetzelfde boek schrijven. Agressie interesseert me. Nu gaat u natuurlijk vragen of ik zelf de hele tijd zin heb om mensen op hun gezicht te slaan, maar dat valt mee. Ik heb een driftige natuur, maar meestal houd ik me in. Dat is ook belangrijk, zeker als er kinderen bij zijn. Een van de ergste dingen die een kind kan overkomen is dat het ziet dat zijn ouders zichzelf niet in de hand hebben. Dat werkt enorm door.”

Kunt u zich voorstellen dat u doet wat de twee jongens in ‘Het diner’ doen: een jerrycan benzine naar een dakloze in een pinhokje gooien?

„Ik kan me voorstellen dat het gebeurt, maar daarmee wil ik niet zeggen…”

U bedoelt dat u ertegen bent.

(Lachend): „Ja, dat moet je eerst zeggen: ik ben ertegen. Maar de agressie die je voelt als er een stinkende zwerver op zo’n plek in de weg ligt, die begrijp ik. Dat soort gevoelens wordt te veel verhuld. Iedereen moet maar mededogen voelen, het is kennelijk verboden je te storen aan dergelijke dingen.

„Het feit dat iemand dakloos is, betekent niet automatisch dat iemand een goed mens is. Tegelijkertijd voelen de ‘gewone’ mensen zich ver verheven boven die anderen, die zielig moeten zijn. In Jiskefet hadden we een reeks over een aantal vrouwen in de welzijnssector. Die waren de hele tijd druk mensen te redden, maar uiteindelijk stonden ze de schedels van de negertjes te meten.”

U verwijt hun moreel snobisme.

„Ja, precies. In Red ons, Maria Montanelli komt een gehandicapte jongen voor. Het boek zelf is fictie, maar als kind heb ik een keer een jongen met een handicap mee naar huis genomen, omdat ik het zielig vond dat niemand op school met hem speelde. Mijn moeder zei toen: waarom heb je hem in godsnaam meegenomen, dat is een vréselijke jongen. En daar had ze gelijk in.”

Uw moeder was net zo hard als de moeders in ‘Het diner’. Een van hen is de eerste om te zeggen dat haar zoon ‘maar een zwerver’ heeft gedood. Degene van wie je het meeste opportunisme verwacht, de politicus Serge Lohman, wil zijn zoon aangeven.

„Dat heb ik expres zo gedaan. Serge Lohman wordt door de verteller als onsympathiek beschreven, maar veel dingen doet hij goed. Niet alleen is aangifte doen de juiste morele keuze, maar ook in de wijze waarop hij reageert wanneer mensen hem op de foto willen zetten, vind ik hem sympathiek. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik een morele les wil geven in het boek. Ik wil óók laten zien hoe groot de kans is dat je met een misdaad weg kunt komen, zoals de hoofdpersonen in Het diner proberen.”

Tegelijkertijd steekt u de draak met Serge Lohmans verlangen om een ‘gewone’ man te blijven, en daarmee met de hele politiek. En met de zelfingenomen burgerlijkheid van de Amsterdamse Watergraafsmeer, waar u zelf woont. Dat deed u al in ‘Odessa star’. Wordt u een soort satiricus van de Watergraafsmeer?

„Wat ik doe, is geen satire.”

Wat is het dan?

„Satire is het komisch maken van dingen door ze uit te vergroten. Vroeger heerste over Jiskefet al het misverstand dat het een satirisch programma zou zijn. Koefnoen, dat is satire. Koot en Bie was satire. Maar dat was niet wat wij deden. Wij lieten dingen vanuit een ander gezichtspunt zien en dat probeer ik ook in mijn boeken te doen. Als de eigenaar van het chique restaurant in Het diner een dikke patser was geweest, dan was het satire geweest, maar het is gewoon een man in een witte coltrui.”

‘Het diner’ speelt zich af in een restaurant dat sprekend lijkt op het Amsterdamse De Kas. Waarom die locatie?

„Waar het me om ging bij dat restaurant is een bepaalde soort van namaak: die waarbij je ongegeneerd veel geld uitgeeft, eet en drinkt, maar het een ecologisch sausje geeft. Zo van: de groenten zijn hier geteeld, het varken heeft een goed leven gehad. Intussen gaat er een enorme hoeveelheid eten doorheen voor een astronomisch bedrag.”

Hebben ze u al een bloemetje gestuurd? Tweehonderdduizend mensen hebben een roman over hun restaurant gekocht.

„Nee, ik heb helemaal niets van ze gehoord, niet in positieve en niet in negatieve zin. Wat ook niet hoeft natuurlijk. Ze zullen wel gemengde gevoelens hebben.”

Voor ‘Het diner’ bent u overgestapt van uitgeverij Augustus naar Anthos. Is dat een deel van de verklaring van het succes?

„Het heeft er zeker mee te maken. Ik wil niet allemaal onaardige dingen zeggen over mijn vorige uitgever en ik heb altijd een erg goede persoonlijke relatie met Tilly Hermans [Kochs uitgever bij Augustus en daarvoor bij Meulenhoff] gehad, maar de filosofie daar is in hoge mate dat het boek het werk moet doen. Wat erop neerkomt dat de uitgeverij er bijna niets aan doet, behalve bij de tweede druk een postzegeladvertentietje in de krant. Als je vijf- of tienduizend exemplaren van een boek verkoopt, zijn ze tevreden.”

En u niet?

„Nee, ik had het idee dat er een groter publiek voor mijn boeken zou moeten zijn. Van Odessa star zijn minder dan twaalfduizend exemplaren verkocht, terwijl dat boek in veel opzichten vergelijkbaar is met Het diner. Ik betrapte me er bij het schrijven aan Het diner op dat ik weerstand voelde om het bij de uitgeverij te laten lezen. Toen ben ik gaan rondkijken bij andere uitgeverijen.”

Anthos hangt de hele stad vol affiches. Heeft u daarom voor die uitgeverij gekozen?

„Ze wilden er echt werk van maken en, wat ook een rol speelde, ze hadden wel veel thrillerschrijvers en buitenlandse auteurs, maar nog niemand zoals ik. Bij een bedrijf als De Bezige Bij was ik een van de velen geworden. De gedachte dat het boek ook voor de uitgeverij belangrijk was, dat ze er echt in wilden investeren, bleek heel inspirerend te werken.”

U zei net dat er veel was geschrapt in ‘Het diner’. Is dat ook de invloed van de nieuwe uitgeverij?

„Er zijn ongeveer zestig pagina’s uitgegaan, maar dat verschilt niet veel van hoe het vroeger ging. Ik houd er nog steeds van om uit te weiden – en dat moet er dan later weer uit.”

Een aantal jaren geleden noemde u in deze krant ‘Op weg naar het einde’ van Gerard Reve als uw beslissende boek. Uw eerste boeken leken zich inderdaad meer te bekommeren om de stijl dan om een plot. In ‘Het diner’ is het verhaal juist belangrijk.

„Op weg naar het einde heeft mijn leven veranderd en Reve heeft grote invloed gehad op mijn eerste boeken. Ik denk ook nog steeds dat het plotloze boek het ideaal van iedere schrijver is: een boek waarin het alleen maar om schrijven gaat. Toch ben ik geleidelijk aan anders gaan schrijven. Niet dat ik wezenlijk een andere auteur ben geworden. Een bewust besluit heb ik nooit genomen. Wel heb ik ontdekt hoeveel plezier ik beleef aan het in elkaar zetten van een plot. En, dit klinkt onbescheiden, ik bleek het goed te kunnen. Het maken van een goede plot is een onderdeel van het werk dat vaak wordt onderschat. Er zijn ook recensies verschenen van critici die mij leken te verwijten dat Het diner spannend was, alsof ik daardoor aan iets of iemand verraad gepleegd zou hebben.”

Bent u bang dat u uit de gratie van de kritiek zult raken nu u een bestsellerauteur bent geworden?

„Niet bang, wel nieuwsgierig. Het mechanisme bestaat ontegenzeggelijk: een schrijver die op het moment dat hij succes krijgt bij het grote publiek door de critici op zijn plaats wordt gezet. Maar het gebeurt ook weer niet bij iedereen. Ik zal het bij mijn volgende boek wel merken.”

Stijl staat in de literaire wereld hoger aangeschreven dan een spannende plot. U was tot een paar jaar geleden door Jiskefet een televisie-bekendheid. Was het schrijven van boeken zonder plot toen een manier om duidelijk te maken dat u wel degelijk een echte schrijver was, geen televisiepersoonlijkheid die er even een boekje bij maakte?

„Gelukkig ben ik eerst schrijver geworden en daarna pas min of meer per ongeluk bij de televisie beland. Ik heb over recensies ook vrijwel nooit te klagen gehad. Ik ben niet miskend geweest. Maar ik sluit niet uit dat die twee dingen met elkaar te maken hadden.”

U bent eindelijk bevrijd van het juk van de VPRO?

„Ja.”

Dit is het tweede deel in een serie zomerinterviews met de schrijvers van de belangrijkste boeken van het afgelopen seizoen. Volgende week Russell Shorto over De botten van Descartes.

    • Arjen Fortuin