Een aarts-escapiste met ambitie

Schrijfster en hoogleraar Hélène Nolthenius was afstandelijk en openhartig, kil en verlegen. Hoe kwam dat en waarom vertrok zij zo vaak naar Italië?

Hélène Nolthenius Foto uit besproken boek/ Martine Wagenaar Wagenaar, Martine

Etty Mulder: Rede en Vervoering. Hélène Nolthenius 1920-2000. Vantilt, 320 blz. € 29,50

‘Regent het bij jullie ook zo?’ schrijft Etty Mulder op 29 juli 1987 aan Hélène Nolthenius: ‘Voor mij was het niet erg: ik moest m’n boekje afmaken. Over veertien dagen krijg ik de drukproeven en in oktober is het er. Ik meld je dit alles omdat ik het aan je heb opgedragen. Ook als je dat niet wil, doe ik het toch. Het heet ‘Freud en Orpheus, of hoe het woord de muziek verdrong.’

Op de andere kant van de ansichtkaart staat een brief van Beethoven afgebeeld. Mulder, op dat moment nog hoogleraar muziek- en cultuurwetenschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, verontschuldigt zich voor haar vreemde handschrift, ‘gevolg van een pees-schede ontsteking in de hand vanwege teveel schrijven’, een probleem waar ook haar ‘voorbeeld, leermeester en identificatiefiguur’ Hélène regelmatig mee worstelde.

Uit deze kaart blijkt dat hoogleraar muziekwetenschap en schrijfster Nolthenius (1920-2000) en haar ijverigste ex-studente behalve collega’s ook vriendinnen waren geworden. Misschien was de toen 38-jarige Mulder in 1987 al van plan ooit een biografie over de auteur van Renaissance in mei (1956) en Duecento (1951) te gaan schrijven, een plan dat serieuze vormen aannam toen Nolthenius na een kort ziekbed overleed. Nolthenius’ man Willy Wagenaar, een voormalig omroepbestuurder met wie ze een zoon en twee dochters kreeg, zou haar acht jaar overleven. In die periode verrichtte Mulder grondig speurwerk naar wat bewaard gebleven was. Maar na Wagenaars dood besloten de kinderen de inboedel van hun ouders deels te dumpen bij een opkoper.

Zo kwamen dozen vol foto’s, filmpjes, langspeelplaten en prullaria van Nolthenius op het Waterlooplein terecht. Al snel werd er alarm geslagen. Via behulpzame antiquaren slaagde Mulder erin het grootste deel op te sporen en terug te kopen.

Dat de eerste vrouwelijke hoogleraar musicologie geen ongecompliceerde relatie met haar kinderen had, moge duidelijk zijn. Als moeder moest schrijven, hing er een bordje ‘niet storen’ op de deur van haar werkkamer of ze ging er tijdelijk vandoor naar haar geliefde Italië. Het moederschap van Nolthenius, die zichzelf in menig interview als ‘aarts-escapiste’ typeerde, moet Mulder bij het schrijven van haar biografie de nodige hoofdbrekens hebben bezorgd. Uiteindelijk laat ze het lastige onderwerp gewoon maar liggen.

Wel gaat ze in op de moeizame relatie die Nolthenius met haar studenten onderhield. In de collegezaal was de briljante, maar gecompliceerde hoogleraar afstandelijk, streng en arrogant, omdat ze het als haar heilige plicht beschouwde objectieve wetenschap en subjectieve kunstbeoefening strikt gescheiden te houden. Maar ze kon ook heel verlegen of onverwachts openhartig uit de hoek komen. Soms begon Nolthenius, die als meisje zangeres had willen worden, zomaar te zingen. Haar kille examens waren berucht, zodat veel studenten – onder wie Mulder – een beetje bang van haar waren. Op vergelijkbare wijze hield Nolthenius journalisten op afstand.

Om deze karaktertrekken te kunnen duiden, lanceert Mulder in Rede en Vervoering twee opmerkelijke verklaringen. Nadat Nolthenius in de oorlog per ongeluk het adres van haar vriendin Hans Hammelburg-De Beer verraadde, die aanvankelijk bij haar thuis ondergedoken zat, werd ze opgepakt en naar het Huis van Bewaring in Haarlem gebracht, waar ze streng verhoord werd. Haar vader, de cellist en classicus Hugo Nolthenius, eiste na een week met succes de verantwoordelijkheid op. Hij werd in haar plaats opgesloten en samen met Hans naar Westerbork getransporteerd. Beiden zouden levend terugkeren. Het harde verhoor in Haarlem zou volgens Mulder haar weerzin tegen het afnemen van examens hebben veroorzaakt.

In diezelfde periode maakte Nolthenius, die als tiener al dweepte met Franciscus van Assisi en zich in 1941 katholiek liet dopen, een tweede drama mee. De jonge Samuel Vecht, eveneens ondergedoken, liet zich inspireren door het hartstochtelijke geloof van Nolthenius, op wie hij heimelijk verliefd was. Net als zij liet hij zich bekeren, een avontuur dat hem duur kwam te staan. Vecht raakte vervreemd van zijn omgeving en verdronk in 1947 in de Loosdrechtse Plassen. Was het zelfmoord?

Nolthenius, die door de oorlog alweer afstand van haar geloof begon te nemen en ten slotte rede boven sacrale vervoering zou verkiezen, voelde zich enorm schuldig. Wanneer Mulder haar jaren later voor de radio moet interviewen in het kerkje in Kortenhoef, waar Vecht begraven werd, raakt ze in een verkrampte toestand. Dat moet wel met Vechts dood te maken hebben, concludeert Mulder, die Nolthenius vanaf dat moment begint te zien als iemand met diep weggestopte oorlogstrauma’s. Vandaar dat escapisme, die verre reizen naar Italië, dat vluchten in de Middeleeuwen, dat geobsedeerd zijn door schoonheid en religie, dat eeuwig zoeken naar alles achter de horizon, dat rusteloze schrijven – alles om maar te ontsnappen.

Mulders biografie is allesbehalve objectief en volledig. Het is meer een ‘work in progress’, waarin ze met adoratie en soms nauw verholen afgunst probeert recht te doen aan haar idool. Mulder besteedt veel aandacht aan Nolthenius’ boeken, bespreekt haar betekenis als musicologe en typeert de veelzijdige en eigenzinnige Nolthenius als een aan Huizinga verwante pionier van de mentaliteitsgeschiedenis. Mulders met foto’s en documenten opgeluisterde boek maakt op zijn minst nieuwsgierig naar de vrouw die niet anders kón dan ‘achter de muziek aangaan’.

Hélène Nolthenius: Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans. Vantilt, 216 blz. € 24,50