De éénklapsfilosofie

Ik werd op straat neergeslagen. Zomaar: ik liep op straat, iemand kwam op me af, ik keek hem nieuwsgierig aan, welwillend zelfs omdat ik dacht dat hij iets wilde vragen, en ik werd neer-geslagen.’

Dit zijn de openingszinnen van Mark Boog in De vuistslag (2001), een van de indringendste Nederlandse straatgeweldromans. De hoofdpersoon (‘Ik ben geen lieverdje, dat wil ik erbij zeggen’) ligt in het ziekenhuis, net ontwaakt uit een coma. Meer dan de wetenschap dat er één klap is gevallen, heb je niet.

Hoe hard een klap kan zijn bleek toen zaterdagnacht een taxichauffeur (‘Hij heeft in Marokko nog aan kickboksen gedaan’, volgens Het Parool) tijdens een ruzie een aspirant-klant neersloeg. Het slachtoffer landde met zijn achterhoofd op het trottoir en bleek niet meer te redden.

De klap maakte onmiddellijk een debat los over de gevaarlijke chaos op Amsterdamse taxistandplaatsen en de taxiwet, waarna de taxichauffeurs in de loop van de week aandacht vroegen voor de ándere kant van de zaak: ‘Er zitten ook hufters op de achterbank.’

Terug naar De vuistslag, waarin het slachtoffer zich nogal eufemistisch blijkt te hebben uitgedrukt toen hij meldde geen lieverdje te zijn. ‘Meestal ben ik het zelf die begint, omdat iemand erom vraagt, als het ware [...] Aan de bijval die ik in het algemeen krijg gedurende en na vechtpartijen – die ik het liefst tot één welgemikte klap beperkt hou –, ontleen ik de pretentie dat ik meestal het gelijk aan mijn kant heb, dat ik feitelijk het fatsoen dien.’

Steeds meer blijkt De vuistslag niet het relaas te zijn van een slachtoffer van zinloos geweld, maar van een dader. Zo zijn zijn vader en zijn broer (‘Zijn neus brak – ik wist hoe het voelde, herkende het’) al het slachtoffer geworden van de éénklapsfilosofie – wapens zijn ‘vulgair’. Net als de ‘verachtelijke, weke hoop angst’ die hij eens op straat onder handen nam. Waarbij aangetekend moet worden dat die angst wellicht was veroorzaakt doordat hij de betreffende jongeman eerst in de auto had achtervolgd en vervolgens had klemgereden.

Gezien dat verleden is het niet verwonderlijk dat het bezoek dat de verteller van De vuistslag in het ziekenhuis ontvangt, deels wordt gevormd door twee politieagenten. Ongetwijfeld zijn zijn verwondingen niet zo plotseling ontstaan als hij zelf beweerde. Er is ook iets met zijn vriendin.

Wat De vuistslag ons leert over vuistslagen is dat ze niet uit hysterie of ongebreidelde agressie, uit dronkenschap of verdriet worden gegeven, maar ook soms gewoon omdat het kán.

De literatuur is vaak een spiegel van de actualiteit. In deze rubriek elke week de koppeling tussen het actuele en fictie.