Calvijn haalde zijn benepen zuinigheid niet uit de Bijbel

Johannes Calvijn heeft de Bijbel goed bestudeerd. Maar zijn afkeer van levensvreugde haalde hij van Seneca, betoogt Maarten ’t Hart.

Precies vijfhonderd jaar geleden, op 10 juli 1509, werd Johannes Calvijn als Jean Cauvin geboren in Noyon, een plaats in Noord-Frankrijk. Zijn vader wordt in de biografie van Cottret omschreven als een ‘apostolische notaris’. Op aanraden van die vader – want daarmee was veel geld te verdienen – studeerde Calvijn rechten in Orléans, in Bourges en vanaf 1530 in Parijs. In 1531 verwierf hij het licentiaat in de rechten en stierf zijn vader. Zijn moeder was al eerder gestorven. Zijn eerste publicatie dateert uit 1532 en was een commentaar op De Clementia van Seneca. Spoedig daarna heeft zijn bekering plaatsgevonden, waarvan we niets anders weten dan dat ze zoals hij zelf in zijn Commentaar op de Psalmen schrijft ‘subito’ was.

Van 1509 tot 1532, dus in de meest ontvankelijke jaren van zijn leven, werd Calvijn, anders dan ik, niet calvinistisch gehersenspoeld. Integendeel, van huis uit was hij een paap en als zodanig, zoals hij zelf zegt, ten prooi „aan de bijgelovigheden van het pausdom”. Maar in zijn commentaar op De Clementia ontpopt hij zich als een echte humanist die verbluffend goed thuis was in de klassieke Romeinse literatuur. Hij kende Seneca op zijn duimpje. Van Erasmus moest hij in latere jaren niet veel hebben, maar de jonge Calvijn vertoont wel veel overeenkomst met de jonge humanist uit Rotterdam.

In al wat ik over Calvijn las in dit herdenkingsjaar wordt deze paaps-humanistische achtergrond verdoezeld. In het herdenkingsboek Johannes Calvijn, leven en werk (uitgeverij Kok) zegt W. Balke: „Het is niet geheel duidelijk waarom Calvijn zich voor Seneca interesseerde.” Die uitspraak verbaast mij, want men kan zeer wel verdedigen dat het schriele, zuinige, verzuurde, bekrompen calvinisme zoals ik het aan den lijve heb mogen ervaren, eerder bij Seneca vandaan komt dan uit het Woord. Lees ik Seneca, dan lijkt het alsof ik de dominees hoor die vanaf de kansel elke vorm van genieten, elke uiting van levensvreugde, alle tekenen van wuftheid, pronkzucht, pracht en praal bestreden. Erasmus schreef al: „Als men Seneca leest als een heidense auteur, blijkt hij op een christelijke manier te schrijven.” Calvinisme bestond in de dagen van Erasmus nog niet, anders zou hij waarschijnlijk gezegd hebben „blijkt hij op een calvinistische manier te schrijven”.

Seneca schreef bondig en puntig. Fraai verwoordt hij vaak zijn unieke vorm van precalvinisme. „Onder in het vat komt zuinigheid te laat.” „Niet wie weinig heeft is arm, maar wie meer wil hebben.” „Voor overbodige luxe werkt men zich in het zweet.” „Zorg dat je van passies en begeerten bevrijd raakt.” „Breng in kleding en levensstijl niets opvallends aan.”

Dat was Calvijn en zijn volgelingen uit het hart gegrepen. Zwart was de kleur van hun kleding, hoewel in het Woord onomwonden zegt: „Laat uw klederen ten allen tijde wit zijn en laat olie op uw hoofd niet ontbreken.” (Prediker 9 vers 8) Eigenaardig toch dat vrijwel alle christenen zich aan zo’n duidelijk kledingvoorschrift niets gelegen laten liggen. Ooit Rouvoet in ’t wit gezien en met olie op zijn hoofd ? Nee, alleen met boter, heel veel boter.

Calvijn heeft Seneca goed gelezen. „Het verlangen naar lekkernijen is een teken van luxezucht”, aldus deze Romeinse calvinist. Seneca bepleit ‘leven in eenvoud’ en ‘het begrenzen van verlangens’. Seneca keert zich tegen alle vormen van amusement. „Houd je lichaam binnen de perken, geef je ziel de ruimte.” „Bedenk hoe heerlijk het is om niets te wensen.” „Weg met alle pracht en praal.” Seneca was zelfs gekant tegen muziek. „Ik wil niet”, schrijft hij zijn leerling Lucilius, „dat je je stem via allerlei ladders en speciale melodieën omhoog en dan weer omlaag laat gaan.” „Muziek belemmert gedachten en hindert de aandacht te richten op iets serieus.”

Zover ging Calvijn niet, psalmzingen was geoorloofd, maar daarbij moest het blijven en daardoor heeft het calvinisme, anders dan het lutheranisme, niet één behoorlijke componist voortgebracht. Sweelinck, zegt u. Die is z’n hele leven katholiek gebleven, al speelde hij in de Oude Kerk. Maar niet in kerkdiensten, want in calvinistische diensten was orgelspel toentertijd niet geoorloofd.

Net als de calvinisten uit mijn jeugd was Seneca overal tegen. Van hem mocht je zelfs niet verliefd worden. In een brief aan z’n leerling Lucilius legt hij uit wat je moet doen om van een verliefdheid af te komen. In een andere brief schrijft hij: „Een mensenleven is amper toereikend om de ondeugden te beteugelen en onder het juk te brengen.” Kijk, daar heb je het juk weer waar ze mijn hele jeugd mee vergiftigd hebben. Mijn moeder zei altijd: „Een kind moet het juk al dragen in zijn jeugd.” Het leven was eigenlijk niets anders dan een juk dat je droeg, de vreugde kwam pas na je dood, mits je uitverkoren was.

Zeker, de walgelijke predestinatieleer van J. Calvijn komt niet bij Seneca vandaan – die heeft de afknijper uit Genève zelf bedacht (ze is namelijk totaal onbijbels), maar dat indammen van levensvreugde, dat bestrijden van elke vorm van genieten, komt eerder bij Seneca vandaan dan uit de Bijbel.

Seneca was tegen dansen, Calvijn ook, hij wou het volledig uitbannen uit Genève. Merkwaardig, want zijn grote held David danst „uit alle macht”. En in Prediker (3:3) lezen we: „Er is een tijd om te dansen.” En in Prediker (9:9) staat: „Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt.” In het Woord kom je heus niet tegen „Tranen mogen, rouwmisbaar niet”. Ook dat haalde Calvijn bij Seneca vandaan.

Het calvinisme is eerder een bijbelse variant van de leer van Seneca dan een waarlijk schriftuurlijke vorm van Christendom.

Maarten ’t Hart is schrijver.