Belaagd door een mensenzee

Met 3.500 man moest Nederland in Korea de gaten stoppen die Amerikanen in hun linies lieten vallen. Dat eiste een zware tol.

Nederlandse soldaten in Korea begin jaren vijftig Foto Spaarnestad Generaal van Fleet geeft Distinguished Unit Citation Ribbon aan Nederlands bataljon in Korea voor hun vechtkwaliteiten. Spaarnestad

Robert Stiphout: De bloedigste oorlog. Het vergeten bataljon Nederlandse militairen in Korea L.J. Veen, 253 blz. € 19,90

De oorlog in Afghanistan blijft in het nieuws, de publieke opinie volgt de Nederlandse betrokkenheid op de voet. Elk incident wordt breed uitgemeten, iedere gesneuvelde soldaat bijkans tot nationaal icoon verklaard. Groter kan het contrast met de eerste internationale ‘vredes’-operatie waar Nederland bij betrokken was, Korea 1950-1953, niet zijn.

Dit waren de hete jaren van de Koude Oorlog. Op het Koreaanse schiereiland woedde een strijd tussen Noord en Zuid, communisme en kapitalisme. China steunde het Noorden, de VS en de Verenigde Naties het Zuiden. Op aandringen van Washington zond ook Nederland grondtroepen. Het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN) bestond uit circa 3.500 man. Van hen sneuvelden er 121, verdwenen er vier spoorloos en raakten honderden gewond. Qua treurige cijfers is Korea koploper van VN-operaties waar Nederland bij betrokken was, aldus Robert Stiphout in De bloedigste oorlog. Het vergeten bataljon Nederlandse militairen in Korea.

Stiphouts werk voegt zich naadloos in een trend waarbij de aandacht voor de Nederlandse inbreng in dit Aziatische conflict groeit. Naar aanleiding van de 50ste verjaardag van de Korea-kwestie besteedde het nationale geschiedenisprogramma Andere Tijden in 2000 er een uitzending aan. In dat jaar schreef Bernadette Kester in Focus op Korea over de rol van de Nederlandse pers bij de beeldvorming over deze oorlog. Daarnaast verschenen memoires en plaatste Christ Klep de Nederlandse bijdrage in het perspectief van latere vredesoperaties (Van Korea tot Kabul, 2005).

Vergeten is het bataljon dus allerminst. Maar Stiphouts verdienste is dat hij inzichtelijk maakt hoe de oorlog op het niveau van de gewone soldaat werd ervaren. Hiermee sluit de auteur ook aan bij een andere eigentijdse trend in de studie naar conflicten, namelijk groeiende belangstelling voor perspectieven van onderop.

Uit De bloedigste oorlog blijkt dat de Nederlandse soldaten niet te benijden waren. Stiphouts meeslepende stijl voegt de lezer als het ware toe aan het bataljon en dompelt hem onder in zowel de barre klimatologische omstandigheden als de felle gevechten. De aan Elsevier verbonden journalist en historicus excelleert met een onvervalste histoire bataille, een in Nederland nogal verwaarloosd genre. De NDVN-soldaten werden vooral ingezet om de gaten te stoppen die de Amerikanen in hun linies lieten vallen. Dit gebeurde vaak door de mate waarin de Amerikaneen de Chinese en Noord-Koreaanse opponent onderschatten. De taak van ‘vliegende keep’ voerden de Nederlanders uitstekend uit, zeker gelet op de schaarse middelen; zo was er gebrek aan zware wapens en adequate kleding.

Het bataljon bestond uit vrijwilligers, waarvan een deel gelouterde vechtjassen, avonturiers die wel tegen een stootje konden. Er zaten idealisten tussen, Indië-veteranen, oud-verzetsstrijders en zelfs een enkele Oostfrontstrijder. Voormalige SS’ers werden met de nek aangekeken, maar eenmaal aan het front bleek hun ervaring in de nieuwe strijd tegen de oude communistische vijand goud waard.

De Nederlanders hadden het volgens Stiphout niet makkelijk – en dat is een eufemisme. In de modder, koude en sneeuw van Korea verlangde menig voormalig KNIL-soldaat naar het warme en zonnige Indië. De vijand werkte ook al niet mee. De Nederlandse soldaten maakten kennis met een voor hen nieuw verschijnsel: de tactiek van de mensenzee. Aangezien voor Mao geweren duurder waren dan mensenlevens, probeerde hij de VN-troepen simpelweg te overlopen. Dit leidde herhaaldelijk tot close combat-situaties en man tot man gevechten. In Korea geen bermbommen of Talibaanstrijders ergens in de verte. Binnen enkele maanden sneuvelden zo’n vijftig Nederlanders, een groot verlies voor het relatief kleine detachement.

Stiphout maakt duidelijk dat de eerste Nederlandse lichting fel van zich af beet en zich aan het front zeer verdienstelijk maakte. Maar op een gegeven moment wordt de opeenvolging van gevechten wat monotoon. Maar sporadisch verlaat de auteur het bergachtige slagveld om de context te verduidelijken waarbinnen de individuele soldaten opereerden.

De Koreastrijders stonden aanvankelijk nogal geïsoleerd. Premier Drees voldeed met grote tegenzin aan het Amerikaanse verzoek tot militaire steun.De bevolking hier liep ook al niet al te warm voor de verrichtingen in Korea. Stiphout memoreert de oppositie van communisten (Rotterdamse havenarbeiders die de troepen zagen vertrekken) en haatbrieven die de weduwen van de eerste gesneuvelden ontvingen. Maar onduidelijk blijft hoe onbekend of impopulair deze oorlog was. Wat vonden de militairen van de houding van het thuisfront? Welk vijandbeeld hadden ze van ‘de communist’? Dit zijn aspecten die, nu met Afghanistan in het achterhoofd, steeds meespelen bij het lezen, maar waar Stiphout zich summier in verdiept. Zijn verdienste is dat hij inzicht geeft in de frontervaringen van de individuele soldaat. Bovendien breekt deze kleinschalige geschiedenis met het jaren vijftig-cliché van spruitjeslucht. Aan de hand van de Koreaanse kwestie en de beleving ervan door Nederlandse soldaten wordt duidelijk dat die tijd in het teken stond van wederopbouw, tucht en ascese. Maar zodra de internationale context in het vizier komt, schijnt er een feller, kleurrijker licht op de naoorlogse periode in Nederland.

    • Niek Pas