Vochtige tenen in kurken sandalen

Vorige zomer schreef ik al over de Croc en de Birkenstock, de lelijkste zomerschoenen waar je je met man en macht tegen kon verzetten, maar waar je dan toch aan (of in) bleef hangen tot in de verre herfst.

Mijn linker-Croc werd vorig jaar ’s nachts opgegeten door een vosje op het IJmuiderstrand, en mijn Birkenstocks desintegreerden langzaam aan mijn voet. En zo werd ik, ergens rond half december, toch gedwongen om weer op normaal, dicht schoeisel zonder kurk of gaten rond te gaan lopen.

Maar nu is het weer zomer. En speelt het verlangen naar comfortabele schoenen rijmend op ‘-ok’ weer op. Ik besloot dat ik inmiddels echt te oud en te gedistingeerd was voor Crocs – hoe had ik het eigenlijk ooit in mijn hoofd gehaald om op die felblauwe, plastic dingen rond te lopen? – maar Birkenstocks konden nog wel. Vond ik.

Dat vond de rest van Amsterdam ook, die zich had verzameld in het kleine, warme Birkenstockwinkeltje aan de Eerste Constantijn Huygensstraat. Het was drukkend, regenachtig weer, en binnen waren vele mannen, vrouwen en kinderen hun vochtige tenen in kurken sandalen aan het proppen. Op de vliering, die als magazijn diende, stond een medewerker alsmaar dozen met schoenen naar beneden te gooien naar de verkopers. Ook een definitie van de hel.

De familie Birkenstock – ik neem altijd maar aan dat de firma wordt gerund door een macrobiotische, Duitse familie met een strikt matriarchaal systeem – had bedacht dat het gezien de hype een veilig idee was om deze zomer ook fluorkleuren te introduceren. Felpaars, felgroen, felroze. Ook waren er nu Birkenstocks met panterprint te krijgen. En met gouden voetbedden. En met iets wat ik alleen maar met de 2001-term ‘blingbling’ kan aanduiden.

Maar in de winkel pasten alle vrouwen en meisjes zilveren Birkenstocks. De rest van het toch zeer ruime assortiment leken ze niet te zien staan. Het is de zomer van de zilveren Birkenstock, had ik ook al elders in het land gezien. We willen niet alleen allemaal dezelfde schoen, we willen hem ook nog allemaal in dezelfde kleur.

Ik riep iets naar een verkoper, de verkoper riep iets naar de vliering, en al gauw werd er een doos met schoenen voor mij naar beneden gesmeten. Ik rekende af, vluchtte de winkel uit en inspecteerde buiten mijn buit. Een paar gouden Birkenstocks. Ik voelde me op een goede manier eenzaam, en ook wel uniek.

Lees veel meer columns van Aaf op nrcnext.nl/aaf

    • Aaf Brandt Corstius