Loze verdachtmakingen, ook in NRC Handelsblad

Minister Donner (Sociale Zaken, CDA) heeft onlangs een beroep gedaan op de schrijvende pers zich te matigen in kritiek op bewindslieden. ”Mooi niet”, aldus Elsbeth Etty in haar column van 30 juni, want wij zijn er juist om de overheid kritisch te volgen. Geen zinnig mens zal krantenmensen die functie willen ontnemen. Maar mevrouw Etty heeft blijkbaar niet door dat er ook iets anders aan de hand is. Al geruime tijd trouwens. Eenieder die het ongeluk heeft in een min of meer belangrijke functie binnen ons staatsbestel terecht te komen, wordt daarmee vogelvrij en loopt de kans het mikpunt te worden van loze verdachtmakingen en smaad. Ik heb geruime tijd krantenknipsels verzameld die daarvan getuigen. Daarmee ben ik gestopt, want het werd dagwerk. Daarom hier alleen één recent voorbeeld. In haar column van 26 juni komt mevrouw Mees te spreken over de minister van Financiën. Die beweert, zegt ze, de absurd hoge beloningen van bankiers te verafschuwen, maar hij doet daar niks tegen. Dat zal wel komen omdat hij het eigenlijk helemaal niet erg vindt. Ter staving plaatst ze daarbij de volgende giftige uitspraken: ”Zou zijn eigen hebzucht hem hierbij in de weg zitten? Hoopt hij dat hem aan het einde van zijn politieke loopbaan (dat inmiddels wel in zicht is) zelf een goudgerande toekomst in de financiële wereld wacht?” Die zinnen staan halverwege haar stukje, en daar, kun je zeggen, zijn het nog maar veronderstellingen. Maar enkele regels verder, aan het einde van haar betoog, zijn die al werkelijkheid geworden. Want, zo is haar slotsom: ”Geen wonder dat het graaien niet ophoudt.”