Het naamfeest

Voor de korte, heldere, bondig geschreven schets heb ik altijd een groot zwak gehad. Tot de minder bekende grootmeesters van dit genre hoort de Russische schrijver Michail Zosjtsjenko (1895 – 1958). Hoewel zijn werk een jaar of dertig geleden wel in Nederlandse vertaling verscheen, is hij hier volledig in de vergetelheid geraakt. Hoe goed hij was, hoop ik hieronder met een enkel voorbeeld aan te tonen.

Zosjtsjenko was een uitzonderlijke figuur in de Russische letteren. Hij was omstreeks 1930 een van de populairste auteurs van de Sovjet-Unie dankzij zijn korte satirische verhalen waarin hij de feilen van het Sovjetsysteem op de korrel nam. Hij beschouwde het als zijn taak zo beknopt en begrijpelijk mogelijk te schrijven om een groot publiek te kunnen bereiken. Hij werd zó populair dat mensen bij tragikomische gebeurtenissen zeiden: „Dat is iets voor Zosjtsjenko.”

Dat kon in de Sovjet-Unie niet goed blijven gaan. Zosjtsjenko werd samen met de dichteres Anna Achmatova uit de Schrijversbond gegooid en hij eindigde als een doodgezwegen schrijver. Niemand kende zijn werk meer, constateerde hij kort voor zijn dood, ‘ik begin het zelf al te vergeten.’

Zijn beste boek in Nederlandse vertaling, antiquarisch nog wel verkrijgbaar, verscheen in 1978 in de reeks Russische Miniaturen van Van Oorschot: Voor zonsopgang (1978). Het zijn geen satirische, maar autobiografische verhaaltjes waarin hij op zoek gaat naar het antwoord op de vraag waarom hij zich altijd zo ongelukkig voelt. Zijn boeken waren tot dan toe vrolijk, hijzelf niet. Lag het aan een of ander voorval? Hij duikt in zijn herinnering en probeert alle markante gebeurtenissen uit zijn leven kort te beschrijven. Hier volgt de schets (260 woorden maar!) Het naamfeest in de vertaling van Kristien Warmenhoven:

Het is avond. Ik loop naar huis. Ik ben neerslachtig.

„Hé student!” roept iemand.

Het is een vrouw. Ze is zwaar opgemaakt. Ze draagt een hoed met veer, waaronder een alledaags gezicht schuilgaat met uitstekende jukbeenderen en dikke lippen.

Ik kijk haar fronsend aan en wil doorlopen, maar de vrouw zegt met een verlegen glimlach: „Het is vandaag mijn naamdag… Kom je bij me theedrinken?”

Ik antwoord: „Het spijt me, ik heb geen tijd.”

„Ik ga met iedereen mee die me vraagt”, zegt de vrouw, „maar vandaag vier ik mijn naamdag. Ik heb besloten zelf iemand uit te nodigen. Zeg alsjeblieft geen nee.”

We lopen een donkere trap op, vol katten, en komen in een kleine kamer.

Op tafel een samowar, noten, jam en broodjes.

We drinken thee in stilte. Ik weet niets te zeggen. En zij is verlegen met mijn zwijgen.

„Heeft u dan helemaal niemand – geen vrienden of familie?”

„Nee”, zegt ze. „Ik ben hier vreemd, ik kom uit Rostov.”

Als ik mijn thee op heb, trek ik mijn jas aan en wil vertrekken.

„Zie je niks in me?” zegt ze.

Ik ben geamuseerd. Ik vind haar niet onaantrekkelijk. Ik kus haar dikke lippen ten afscheid. En zij vraagt me: „Kom je nog eens terug?”

Ik loop het trapportaal op. Misschien moet ik onthouden waar ze woont. In het donker tel ik hoeveel treden het zijn tot haar deur. Zal ik een lucifer aansteken en kijken wat het huisnummer is? Nee, het is niet de moeite waard. Ik kom hier nooit meer terug.