Er zijn nog rechters in Karlsruhe

‘De lidstaten willen geen Europa dat zich buiten hen om kan vernieuwen, als een politiek lichaam met een eigen wil. Daarom komt er geen herziening bij meerderheid van leden. Zo’n voltooide ontvoogding zou (...) het einde van de zelfstandige staten (zijn). En de staten gaan niet weg.”

Deze uitspraak in het in mei verschenen boek van Luuk van Middelaar, De passage naar Europa – het belangrijkste boek dat sinds lang door een Nederlander over Europa is geschreven – vond vorige week haar echo in een uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe, die het verdrag van Lissabon niet strijdig achtte met de Duitse grondwet, maar toch enkele schoten voor de boeg loste.

Zeer kort samengevat – de uitspraak zelf beslaat vele bladzijden – komen die erop neer dat de nog steeds soevereine lidstaten ‘heren van de verdragen’ blijven, en niet de Europese Unie zelf, bij wie de soevereiniteit (nog) niet berust – ook niet na de inwerkingtreding van ‘Lissabon’. Iedere verdere uitbreiding van de bevoegdheden van de Europese Unie heeft dus de uitdrukkelijke toestemming nodig van de daartoe bevoegde nationale organen – die in de praktijk meestal een tweederde meerderheid vergt.

Dit betekent dat een sluipende uitbreiding van de bevoegdheden van de EU onmogelijk is. Verdere afstand van nationale soevereiniteit wordt niet uitgesloten, maar deze kan slechts gedaan worden, via de daartoe bestemde democratische organen, door de vooralsnog soevereine volken.

De uitspraak van het Duitse Hof schept helderheid in de stand van Europese zaken – een helderheid die noch de Europese regeringen noch de Europese parlementen hebben kunnen, misschien ook wel: willen – scheppen. Alleen landen met een lange traditie van buitenlandse politiek, zoals Engeland en Frankrijk, hebben zo’n uitspraak niet nodig. Voor hen spreekt het vanzelf.

Voor anderen is het even wennen. Zo noemde de Europarlementariër voor D66, Sophie in ’t Veld, de uitspraak van het Hof „redelijk choquerend”. Maar de uitspraak gaat toch uit van het recht van het volk op medezeggenschap? Wat wil een D66’er nog meer? Zolang er geen Europees volk bestaat, zijn het de 27 volken van de EU die, ieder voor zich, uitmaken wat er al dan niet gebeurt. D66 is toch geen voorstander van een sluiptechniek? In zijn column in het Financieele Dagblad is (prof.) Tom Eijsbouts ronduit goedkoop: „Wie wil hoort de echo: Ein Land, ein Volk, ein Richter.” Gepaster is de parafrase van een ander woord uit de Duitse geschiedenis: „Es gibt noch Richter in Karlsruhe.”

Overigens zijn dit (behalve ook nog een rustige beschouwing in het FD van zijn Brusselse correspondent) de enige commentaren op de uitspraak van het Hof die ik tot nu toe in de Nederlandse pers heb gelezen. Ik sluit niet uit dat ik andere over het hoofd heb gezien, maar ik meen niet te overdrijven wanneer ik zeg dat de dood van Michael Jackson meer publiciteit heeft gekregen.

Over de historische betekenis van de ene en de andere gebeurtenis kunnen we natuurlijk van mening verschillen. Vaststaat in elk geval dat het Hof in Karlsruhe voorlopig een grendel heeft geschoven voor een nauwelijks merkbare weglekking van rechten naar ‘Europa’. Ontegenzeggelijk komt dit een vlot verloop van het Europese proces niet ten goede, maar het is niet de eerste keer dat het Europese en het democratische proces botsen.

Wie oog heeft voor de ironie van de geschiedenis (of gelooft in de uiteindelijke gerechtigheid ervan), kan ook andere, al dan niet schijnbare, tegenstellingen zien: Duitse rechters als hoeders van recht en democratie; Duitsland, dat lange tijd het meest bereid was offers te brengen voor de Europese eenheid, als het land van waaruit nu een blokkade wordt opgeworpen.

Zo’n (schijnbare?) tegenstelling vertoont de geschiedenis van Nederlands Europese politiek trouwens ook. Hoewel Nederland lange tijd doorging voor een land dat de supranationale gedachte zeer toegedaan was (vandaar de verbazing alom over het Nederlandse ‘neen’ van 1 juni 2005), is het op Nederlands aandringen geweest dat in 1950 de nationale regeringen, die Monnet buiten de Europese mechaniek had willen houden, er toch een plaats in hebben gekregen, in de vorm van de Raad van ministers (nog niet: van regeringsleiders, dat gebeurde pas, buiten enig verdrag om, in 1974). Hebben de supranationalisten, toen talrijk in de Kamer, zitten slapen of was Nederland, zonder het te beseffen, deze ene keer gidsland?

Hoe dat ook zij – voorlopig blijven de nationale regeringen, verenigd in de Europese Raad (van regeringsleiders), de facto de ware beslissers over Europa. Maar ook zij zijn, democratisch als ze zijn, onderworpen aan hun eigen grondwetten. Dat heeft het Duitse Hof bevestigd. Maar het geldt niet alleen voor Duitsland.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of een reactie achterlaten op nrc.nl/heldring