Dwerghert gaat kopje onder om vijanden af te schudden

Helemaal kopje onder, langer dan vijf minuten. Net zo lang in het water tot het roofdier dat hen achtervolgt is verdwenen. Die strategie hanteren twee soorten Aziatische herten om hun belagers af te schudden. Een internationaal team van wetenschappers beschrijft twee observaties van wegduikende 70 cm grote dwergherten, Tragulus napu en Moschiola spp., in het julinummer van het tijdschrift Mammalian Biology. De auteurs leggen een verband met het ontstaan van walvissen, die zouden afstammen van een vroege hertensoort.

De onderzoekers zagen T. napu een uur lang rondzwemmen in een bosrivier op Borneo. Vier of vijf keer kwam het beest boven en bleef steeds minstens vijf minuten onder water. Bij de tweede observatie, van Moschiola spp., werd ook de belager gezien: een bruine mangoeste (een kleine katachtige). Die bleef op de kant het hert in de gaten houden, maar vertrok na een kwartier. Toen het hert dacht dat de kust veilig was en het water uitkwam, dook de mangoeste weer op en het hert weer weg. Voor plaatselijke jagers is het aquatisch vluchtgedrag niet nieuw: zij zien de dieren vaak een plons maken wanneer ze achtervolgd worden door hun honden. De onderzoekers speculeren dat alle primitieve herkauwers dit type vluchtgedrag vertoonden. Deze hypothese wordt ondersteund door de ontdekking van een 48 miljoen jaar oude hertensoort die veel weg heeft van het dwerghert, Indohyus. Dat hertje wordt beschouwd als de missing link tussen walvissen en hoefdieren. Ook varkens en nijlpaarden zouden verwant zijn aan deze vleesetende hoefdieren. De primitieve walvis Pakecetus zou de duikstrategie zo prettig gevonden hebben dat hij zich steeds verder aanpaste, de volle zee opzocht en er bleef.