Baron alleen herinnerd als dichter

Baron op klompen. Mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884): aan de hefboom tot welvaart Auteur: W. Coster Uitgever: Historia Agriculturae, deel 40; 416 pagina’s, 20,00 euro

Baron op klompen. Mr. B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884): aan de hefboom tot welvaart Auteur: W. Coster Uitgever: Historia Agriculturae, deel 40; 416 pagina’s, 20,00 euro

We kennen de negentiende eeuwse ‘titanen’ Thorbecke, Groen van Prinsterer en Multatuli. Maar er waren meer mensen die van groot belang waren voor Nederland. De Overijsselse slavist en historicus Coster heeft één van hen – mr. Barthololomeus Willem Anne Elise baron Sloet tot Oldhuis – aan de vergetelheid ontrukt.

Sloet – ook in de negentiende eeuw al zo verkort – werd na zijn opleiding tot jurist op 24-jarige leeftijd burgemeester én gemeentesecretaris in Hengelo. Vervolgens ging hij naar Zwolle, waar hij president van de arrondissementsrechtbank werd. Daarnaast was hij nog: schoolopziener, lid van de Zwolse gemeenteraad en van 1848 tot 1860 lid van de Tweede Kamer.

Hij stond bekend als welbespraakt, kritisch en tegendraads. Zo joeg hij de adel tegen zich in het harnas, toen hij al in 1848 zijn twijfel uitte over de samenstelling van de Eerste Kamer. „Bezit van geld sluit geen verdienste uit, doch verdienste wordt hier uitgesloten als zij niet met geld is verbonden”, zei Sloet tijdens de behandeling van de grondwetsherziening. Daarop werd zijn kandidatuur voor een ministerspost door een veto geblokkeerd.

Zowel in Den Haag als in Zwolle werkte Sloet aan de economische ontwikkeling van het platteland. Hij zag dat als een plicht van ‘de beschaafde klasse’. Hij wilde ook een einde maken aan de achterstelling van het platteland op de steden en van de landgewesten op Holland.

In 1841 begon hij het Tijdschrift voor staathuishoudkunde en statistiek, waarvan hij de redactie voerde en waarvoor hij ook de meeste stukken schreef. Het tijdschrift ontwikkelde zich in het derde kwart van de negentiende eeuw tot dé liberale spreekbuis van Nederland.

Sloet was volgeling van Adam Smith en meende dat goederen daar verbouwd of geproduceerd moesten worden waar dat het meest efficiënt kon en het goedkoopst was. Daarom was Sloet tegenstander van het verbouwen en fabrieksmatig verwerken van suikerbieten in Nederland. Dat zou ten koste gaan van de productie van suikerriet op Java, dat volgens hem veel beter van kwaliteit was en op natuurlijker wijze tot stand kwam. Een decennium voordat Multatuli’s Max Havelaar verscheen, had Sloet het in zijn tijdschrift al voor de Javaanse boeren opgenomen.

Ook op andere terreinen was ‘de baron op klompen’ – hij bezat landerijen in de Achterhoek, de Veluwe en in verschillende plaatsen in Overijssel – zijn tijd vooruit.

Wim Coster heeft een lang hoofdstuk nodig om alle initiatieven te beschrijven waarbij Sloet was betrokken. Zo zette hij zich in voor de verbetering van de infrastructuur en voor de verbetering van het vervoer over land, water en spoor. Dit liep uit op teleurstellingen en mislukkingen, omdat de beoogde gebruikers – om de verschuldigde tol uit te sparen – van oude routes of verbindingen gebruik bleven maken.

Sloet was niet alleen bestuurder, politicus, wetenschapper, grootgrondbezitter en landbouwhervormer, maar ook dichter. Gerrit Komrij nam drie gedichten van hem op in zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten.

Kort na het overlijden van Sloet in 1884, werd in de Landbouwcourant het plan geopperd om ‘een waardige gedenkzuil’ voor hem op te richten. Het bleef bij een plan. Wim Coster heeft alsnog een monument voor hem opgericht.