Aap, noot, Mies

Driss Tafersiti kwam in zijn jonge jaren naar Nederland als Marokkaans gastarbeider, via Frankrijk. Hij bleef. In een wekelijks feuilleton schrijft hij over zijn belevenissen.

Aap, noot, Mies Nederland, Harkema FR) , 6 juli-2004 PC Basisschool de Wynroas. Oud lesmateriaal als decoratie in de gang. Foto: Sake Elzinga Nederland, Harkema FR) , 6 juli-2004 PC Basisschool de Wynroas. Oud lesmateriaal als decoratie in de gang. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Ik woonde alweer anderhalf jaar in Nederland en sprak de taal nauwelijks. De paar woorden die ik kende, waren genoeg om in de haven te overleven. Maar ze waren niet toereikend om het meisje van mijn dromen te veroveren. Jolanda heette ze. Meer wist ik niet van haar, omdat die verdomde taal mij in de weg stond.

Ze was een vakantiekracht in de haven. De zomer liep op z’n einde, dat betekende dat ze binnenkort weer plaats zou nemen in de schoolbanken. Ik zou haar misschien pas de volgende zomer weer zien, maar misschien ook nooit meer. Dat maakte mij zenuwachtig. Ik verloor nog een paar kilo, bovenop de vijf die ik al kwijt was.

Mijn neef Mustapha zag mij vermageren en stopte mij op een dag vijf gulden toe. „Mensen komen naar Europa om forse mannen te worden, maar bij jou steken de botten eruit”, zei Mustapha. „Ga wat honing en pindakaas kopen om je vlees terug te krijgen, want dromen over blonde vrouwen gaat je maag niet vullen, neef.”

Bedroefd en zwak liep ik door de buurtsuper. Ik had een paar potten honing, pindakaas en een witbrood in mijn handen. Volgens mijn neef zou ik door vet eten weer mijn oude zelf worden. Maar hoe kon ik ooit nog een hap door mijn keel krijgen als ik al vol zat van Jolanda?

Bij het afrekenen tetterde de caissière iets in mijn richting. Ze weigerde het biljet aan te nemen en bleef iets onbegrijpelijks roepen. Wat was er aan de hand? Het bedrag op de kassa was vier gulden en vijf cent. Ik keek naar het groene biljet en probeerde het nog een keer aan haar te geven, maar weer nam ze het niet aan.

Een oudere dame achter mij tikte mij aan. Ze liet mij een munt zien en zei: „Vijf cent.” Ze nam het biljet uit mijn handen en gaf het samen met de stuiver aan de caissière. Die hield eindelijk op met schreeuwen, en gaf mij een gulden terug.

Ik glimlachte onnozel naar de oude mevrouw en wilde al weglopen toen ze mij vastgreep. „Wacht”, zei ze streng. Ze stopte haar boodschappen in een tas, en drukte hem in mijn handen.

In Marokko mag je oude mensen nooit iets weigeren. Zelfs niet als het onbekenden zijn. Hun grijze haren zijn genoeg om alles van je gedaan te krijgen.

Met mijn handen vol boodschappen liep ik samen met de mevrouw over straat. Twee blokken verder stonden we voor haar deur. Ze deed open en gebaarde mij binnen te komen. In de keuken zette ik haar boodschappen op het aanrecht. Mijn taak was volbracht, ik wilde weer zo snel mogelijk weg.

Maar de mevrouw trok een keukenstoel naar achteren en zei: „Zit”. Uit respect nam ik plaats en wachtte op wat komen ging. De mevrouw liep de keuken uit en kwam even later terug met een boek en legde het voor me neer. Ze ging naast me zitten en sloeg het boek open.

Ze wees naar een plaatje en zei: „Aap”. Daarna wees ze naar een ander plaatje: „Noot”. En toen het volgende plaatje: „Mies”. Dat was het begin van mijn eerste les Nederlands.

    • Driss Tafersiti