Waarom zeg je Vermeer en niet (Rembrandt) Van Rijn?

Terwijl Saskia Huygen uit Amsterdam aan het leren was voor het vak klassieke culturele vorming kwam ze tientallen Italiaanse kunstenaars tegen. „De een wordt bij de voornaam genoemd, een ander bij de achternaam. Waarom?” Emma Lok uit Amsterdam vraagt zich af waarom Rembrandt van Rijn bekend is geworden onder zijn voornaam en niet met zijn achternaam, zoals andere Hollandse schilders.

Het was tijdens de renaissance in Italië heel gebruikelijk om kunstenaars bij de voornaam te noemen, zegt Eric Jan Sluijter, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. „Familienamen lagen in die tijd nog niet echt vast. Je noemde meestal de voornaam, soms aangevuld met een patroniem [de naam van de vader, red.], plaatsnaam of bijnaam.” Zo heette Leonardo da Vinci (1452-1519) naar zijn geboortedorpje Vinci, maar werd hij tijdens zijn leven vaker Leonardo genoemd.

Alleen aristocratische families hadden een vaste achternaam. Michelangelo (1475-1564) heette bijvoorbeeld voluit Michelangelo di Lodovico Buonarroti Simoni. Hij gebruikte zelf wel vaak zijn familienaam Buonarroti, die liet zien dat hij van gegoede komaf was, maar anderen noemden hem gewoon bij de voornaam.

Pas in de zestiende en zeventiende eeuw raakte in Italië het gebruik van achternamen in zwang. In Nederland was dat toen al veel gangbaarder. Johannes Vermeer (1632-1675) is bijvoorbeeld bekend als Vermeer. Schilders als Frans Hals (1580-1666) en Ferdinand Bol (1616-1680) zijn met hun voor- én achternaam bekend.

Rembrandt van Rijn (1606-1669) is een uitzondering. In 1628 gebruikte hij nog het monogram RHL (Rembrandt Harmenszoon Leidensis; naar zijn vader Harmen én de plaats waar hij vandaan kwam). Maar vanaf 1633 signeerde hij alleen nog met zijn voornaam, net als de schilders in Italië.

Rembrandt wilde zich hiermee waarschijnlijk in de traditie plaatsen van de Italiaanse meesters, zegt Sluijter. „En het heeft ook iets arrogants. Alsof hij wilde zeggen: ik ben zo beroemd, de mensen moeten maar weten wie ik ben.”

    • Leonie van Nierop