Vleugeltje stuk? Spoedkliniek!

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 3: een drukke avond op de Amsterdamse dierenambulance.

Spoedkliniek dierenambulance amsterdam. Foto David Galjaard en Christian van der Kooy Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Gehuld in een lelijke groen-gele bodywarmer – verplicht voor iedere bijrijder – zat ik op de voorbank van de dierenambulance geklemd tussen Marja (51) en Katrien (27).

Ze hadden late dienst.

Bij de dierenambulance zijn ze 24 uur per dag paraat. Een dier in nood kent geen openings- en sluitingstijden.

Logisch.

We waren op weg naar Amsterdam-Noord. Daar was in het water bij de sluizen een ‘waterkadaver’ gesignaleerd. Marja legde uit wat dat was.

„Een waterkadaver is een kadaver in het water. Een dood beest.”

Geen zaak om de sirene voor aan te zetten.

We namen de tijd.

Marja werkte al twintig jaar als vrijwilliger voor de dierenambulance. Samen met haar vriendin runde ze in de tuin van hun minihuis in Amsterdam-Oost ook nog knaagdierenopvangcentrum Knabbel en Babbel.

Het was niet onopgemerkt gebleven.

Burgemeester Job Cohen had het stel een koninklijke onderscheiding opgespeld.

Marja zei: „Ik hou van beesten. We hebben ook huisdieren zat: vijf katten, twee honden, een aquarium met goudvissen, een vijver met goudvissen, twee Vlaamse reuzen en ongeveer zestig knagers van de opvang. Het wordt wat veel.”

Ze moest even nadenken over de vraag wat het gekste was wat ze bij de dierenambulance had meegemaakt.

Na een korte stilte: „Toch wel die struisvogel op de A9. Daar zijn we toen op gaan zitten.”

Katrien werkte bij kinderdagverblijf De Klaproos. In het verleden was ze in Thailand betrokken geweest bij een apenopvang. Ze had een kat en was vegetariër.

„Ik eet af en toe wel een lap vlees”, zei Marja. „Maar geen knaagdieren of konijnen.”

De sluiswachter in Amsterdam-Noord wees naar een donkere vlek in het water.

„Daar ligt-ie. Ik denk dat het een jack russeltje is.”

Ze gingen eropaf met een schepnet.

„Een aangevreten kat”, constateerde Marja. „Die is hier natuurlijk in het water gevallen.”

Het waterkadaver werd in twee plastic zakken gestopt.

„Die gaat bij de opvang in de vriezer”, zei Katrien.

De pieper in de auto ging.

Een gewonde mus bij Aalsmeer.

„Kunnen de collega’s uit Haarlem dat niet doen?”, vroeg Marja.

„Die zijn en route en vragen assistentie”, antwoordde de centralist.

Na enig overleg besloten de dames in Amsterdam te blijven.

„Het is hier ook een gekkenhuis. Het duurt een uur voor we d’r zijn.”

De kat, die in een bak was gelegd, stonk.

„We gaan nu naar een gewonde duif”, zei Katrien.

Een kwartier later belden we aan bij een rijtjeshuis.

We gingen met drie man naar binnen. De bewoners waren dierenvrienden, zoveel was duidelijk. Overal stonden kattenbakken en lagen piepende speelbotten voor de honden.

We keken in een doos. Daarin zat een duif met vleugelwond.

„Gegrepen door een kat”, zei de bewoonster naar het huis.

Marja en Katrien keken elkaar aan.

„Zo snel mogelijk naar de spoedkliniek.”

Met het stinkende waterkadaver en de gewonde duif werden we bij de IJtunnel gestuit door een verkeersregelaar.

„Ik mag alleen taxi’s en bussen doorlaten”, zei de verkeersregelaar.

„Wat is dit?”, zei Marja. „Wij zijn de dierenambulance! Vorige week werd ik ook al gestuit toen ik op weg was naar een aangereden hond. We moeten naar de spoedkliniek!”

„Orders van burgermeester Cohen”, zei de verkeersregelaar.

Marja keerde de ambulance.

Even later zei ze: „Ik kan me niet voorstellen dat Cohen zoiets zegt. Bij het uitreiken van de medailles was hij zo lovend over ons werk.”

Weer een melding.

Weer een duif.

Eentje met een scheefhangende vleugel.

De bewoner van de galerijflat, die het beest van straat had geraapt, was, aan de posters in zijn huiskamer te zien, een groot fan van Donald Duck. Hij overhandigde het beest met een ernstig gezicht.

„Vleugeltje helemaal stuk.”

„Spoedkliniek”, zei Marja. „Ik hoop dat hij het haalt.”

Het werd donker.

Er bleven maar meldingen komen.

Allemaal duiven.

Soms ook duiven die nog niet gewond waren.

In De Pijp had meneer Janssen twee jonge duiven in huis genomen omdat ze bedreigd werden door een buurtkat.

Ik begon me hardop af te vragen waarom ze zich eigenlijk dierenambulance noemden. Duivenambulance was beter.

„Het is het seizoen”, zei Katrien.

En Marja zei: „Als ik voor ieder knaagdier in nood een euro krijg, word ik ook miljonair.”

In een kelderbox in de Watergraafsmeer zaten twee verdrietige meisjes in identieke roze bikini’s bij een doos, waarin een duif zat.

De moeder rookte een filtersigaret.

Ze zei: „Ze mochten opblijven tot de ambulance er was. Dat duurde lang.”

We legden uit dat het die avond een gekkenhuis was. Qua duiven.

„Ik ben blij dat-ie naar het ziekenhuis gaat”, zei de vrouw. „Ik heb boven visite zitten vanwege een verjaardag.”

Met vijf duiven en een stinkend waterkadaver werd de spoedkliniek bereikt.

Marja zette de auto midden op de weg. Daarna ging het in optocht naar binnen. Met het waterkadaver gingen we terug naar de centrale. Marja gaf me een korte rondleiding.

Ik bekeek de vrieskist met waterkadavers, de koelcel met opgebaarde dieren en de containers met ongeïdentificeerde beesten, die naar de destructie konden.

In de quarantaineruimte zat een konijn met een besmettelijke huidziekte. Medewerkers van de centrale hadden een vel met een getekend doodshoofd op de kooi geplakt.

AFBLIJVEN.

„Niet aaien hoor”, zei Marja.

We bedankten voor de tip.

In de meldkamer zaten Hans (44) en Joy (leeftijd onbekend).

Op tafel stond een pot snoep. In een kamertje stond een bed. Voor als ze moe werden. Maar daarvoor was het te druk.

„Gekkenhuis.”

Marja en Katrien moesten zo snel mogelijk weer de weg op.

Er was iets met een duif in een boom.

Er was een bebloede vogel in Noord.

En op een politiebureau zat een gevonden kat in een cel.

Hans was ooit bij de dierenambulance gaan werken omdat hij vrijgezel was. „Het stikt hier van de leuke vrouwen.”

Joy vond het gewoon leuk werk.

Af en toe ging de telefoon. Dan was er weer een duif gevonden. Tussendoor vertelden ze verhalen. Verschrikkelijke dingen ook.

Over jongens die met een konijn aan het voetballen waren.

Of over achtergelaten poesjes in afvalcontainers.

„Maar er belde ook een keer iemand dat er een dromedaris in zijn tuin stond”, zei Hans. „We dachten dat hij dronken was. Belde hij een half uur later weer. Het was echt waar. Circus in de buurt.”