Tussen Staat en markt

Komt er meer licht in de schemerzone tussen Staat en markt? Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) stuurde maandag een wetsontwerp naar de Tweede Kamer waarin de maatschappelijke onderneming in het leven wordt geroepen: een ondernemingsvorm die bedoeld is voor instellingen in bijvoorbeeld de zorg, het onderwijs of huisvesting. Instellingen die op dit moment noch deel uitmaken van de overheid, noch ondernemingen zijn in de letterlijke zin. In Groot-Brittannië werd er begin jaren negentig een passende naam aan gegeven: quango’s, ofwel quasi autonome non-gouvernementele organisaties.

Het wetsontwerp schetst de maatschappelijke onderneming als een semibedrijf waarin klanten en andere belanghebbenden meer invloed krijgen, goed ondernemingsbestuur en toezicht worden bewerkstelligd, er meer vrijheid is om de eigen doelstellingen te formuleren en waar burgers zelf kapitaal in kunnen steken. Een winstuitkering moet dan wel aan de doelen van de organisatie zelf worden besteed.

De behoefte aan daadkracht op dit vlak is begrijpelijk. De schemersector is de afgelopen jaren vooral in de belangstelling gekomen wegens gebrekkig bestuur, uit de hand gelopen schaalvergroting, achterblijvende verantwoording en een introverte cultuur. En dan zijn er nog de bezoldigingen van bestuurders die kwaad bloed hebben gezet.

Het is de vraag of een aparte, nieuwe ondernemingsvorm hiervoor de oplossing biedt. Enerzijds is de sector zo divers dat men er moeilijk één uniforme structuur op kan loslaten. Met name de behoefte aan extern kapitaal zal variëren, en het valt nog te bezien of daarin wordt voorzien als eventuele winsten niet zomaar mogen worden uitgekeerd. Anderzijds geeft een keuzevrijheid voor instellingen om al dan niet een maatschappelijke onderneming te worden nieuwe problemen. In het toch al moeilijk doordringbare woud van regels, voorschriften en structuren, komt er dan een geheel nieuwe diersoort bij.

Er is al een kentering gaande. Er zijn of worden codes voor goed ondernemingsbestuur ingevoerd en er is een grotere maatschappelijke alertheid voor uitwassen. Daarvoor is een nieuwe ondernemingsvorm niet per se nodig. Het kan bovendien heel goed zijn dat sommige semipublieke activiteiten goed uit de voeten kunnen met de reeds bestaande ondernemingsvormen.

Het wetsontwerp bestendigt in wezen de huidige situatie. Zo wordt het bestaan van een omvangrijk schemergebied gesanctioneerd. Dat verhindert dat er een fundamenteler debat wordt gevoerd over wat nu precies staatstaken zijn en waar de markt beter zijn werk kan doen. Wellicht zijn er activiteiten waarvan de burger liever heeft dat de overheid ze voor haar rekening neemt. En zijn er andere activiteiten waarvan het hoog tijd is dat die uit de schemerzone in het volle licht van de markt worden geduwd. Die discussie heeft het publiek, na de lukrake deregulerings- en privateringsgolf sinds de jaren negentig, inmiddels wel verdiend.