In Urumqi loopt iedereen met een ijzeren staaf in de hand

Vanmorgen werd ik wakker door het geluid van gillende sirenes en scanderende soldaten. Voor ons hotel staan soldaten gewapend met stokken en schilden in een lint langs de straat. Gisteravond is de avondklok ingesteld: niemand mag na acht uur de straat op. Ook taxi’s rijden bijna niet meer. Inmiddels is duidelijk dat de opstanden zijn

Mensen lopen langs uitgebrande auto's in Urumqi. (Foto AP, klik voor vergroting)

Mensen lopen langs uitgebrande auto's. (Foto AP, klik voor vergroting)Mensen lopen langs uitgebrande auto's. (Foto AP, klik voor vergroting)

Vanmorgen werd ik wakker door het geluid van gillende sirenes en scanderende soldaten. Voor ons hotel staan soldaten gewapend met stokken en schilden in een lint langs de straat. Gisteravond is de avondklok ingesteld: niemand mag na acht uur de straat op. Ook taxi’s rijden bijna niet meer.

Inmiddels is duidelijk dat de opstanden zijn begonnen door studenten van de Xinjiang-universiteit vlakbij de wijk Erdaqiao. Zij eisten in hun protesten opheldering over de dood van twee fabrieksarbeiders in de provincie Guangdong. Drie Oeigoerse migrantenarbeiders werden vorige maand in de fabriek doodgeknuppeld door Chinese collega’s die hen van diefstal betichtten. Toen de politie probeerde de menigte uiteen te drijven, kwam het tot een handgemeen waarna duizenden Oeigoeren in woede ontstaken en al hun frustraties botvierden. Volgens ooggetuigen gingen de gevechten tot diep in de nacht door.

Toen ik maandagnacht om drie uur arriveerde kon ik samen met collega’s van de Franse krant Le Figaro na uren onderhandelen een taxi krijgen. De straten waren leeg, er reden alleen politieauto’s, langs de wegen stonden soldaten en er waren wegblokkades opgeworpen.

Een Chinese soldaat op wacht in Urumqi. (Foto AFP)

Een Chinese soldaat op wacht in Urumqi. (Foto AFP)Een Chinese soldaat op wacht in Urumqi. (Foto AFP)

Gisteren was ik ooggetuige van de confrontatie tussen Oeigoerse vrouwen en politieagenten en gistermiddag en -avond gingen de gevechten gewoon door. De partijsecretaris van Xinjiang sprak in het centrum van de stad de Han-Chinese burgers toe. Hij maande hen tot kalmte, gebruikte partijretoriek als “harmonieus samenleven” maar versprak zich aan het eind van zijn speech toen hij zei “we moeten bloed met bloed vergelden”. Enkele uren later kwam het weer tot confrontaties tussen Han-Chinezen en Oeigoeren in de universiteitswijk.

De situatie wordt steeds grimmiger. Gisteravond liep ik om zeven uur de straat op om geld te trekken. Ik zag geen burger die niet met een ijzeren staaf in zijn hand rondliep.Vandaag bezocht ik een ziekenhuis waar ik sprak met artsen en gewonden (zie NRC Handelsblad vandaag).

Gistermiddag stelde een Italiaanse journalist van Corriere della Sera tijdens een speciaal ingelaste persconferentie van de drie belangrijkste imams van Urumqi de vraag: de islam schrijft voor dat u uw doden reeds een dag na het overlijden begraaft. Klopt dat en hoeveel begrafenissen hebben er dan nu al plaatsgevonden? De hoofdimam, een gezette man met een baard en keppeltje, antwoordde: bij de Oeigoerse versie van de islam is dat niet altijd noodzakelijk.

Eerder op de dag verklaarde een persfunctionaris van de overheid dat nog steeds niet duidelijk is hoeveel Chinezen en hoeveel Oeigoeren zich onder de doden bevinden. Journalisten betwijfelen of er werkelijk, zoals de overheid beweert, 156 doden zijn gevallen. Door een hoog dodental te noemen, is de harde repressie gemakkelijker te rechtvaardigen.

De artsen die ik vandaag sprak verklaarden echter dat het dodental zou kunnen kloppen. Het Volksziekenhuis, het grootste van de ongeveer twintig tot dertig ziekenhuizen in Urumqi meldde zondagavond 12 doden.

Een groep Han-Chinezen loopt over straat met stokken, 7 juli 2009. (Foto AFP)

Een groep Han-Chinezen loopt over straat met stokken, 7 juli 2009. (Foto AFP)Een groep Han-Chinezen loopt over straat met stokken, 7 juli 2009. (Foto AFP)

    • Bettine Vriesekoop