De moderne mens is een emoticon

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: ‘Hoe definiëren wij onszelf’.

Aflevering 2: De mens als zijn gevoelens.

De vorstin zuchtte. Kort na het drama in Apeldoorn op Koninginnedag 2009, waarbij acht mensen om het leven kwamen, verscheen koningin Beatrix op de Nederlandse televisie om haar medeleven te betuigen met de slachtoffers. Wat ze precies zei, weet ik niet meer. Maar ik herinner me wél die zucht. Misschien omdat ik de koningin nog nooit zo had gezien: aangeslagen en heel even zonder een kant-en-klare, formele tekst. Maar het was ook een merkwaardige zucht. Toen ik de zucht voor de achtste keer in de herhaling zag, betrapte ik mezelf op een lach.

Zelden is een zucht zo uitvoerig becommentarieerd. „Het was hartverwarmend dat ze zich zo wilde laten zien, het kon niet authentieker”, zei Ed van Thijn, oud-burgemeester van Amsterdam. De columnisten Joost Zwagerman en Theodor Holman typeerden de zucht respectievelijk als „onkoninklijk” en een uitdrukking van „diep verdriet”. De Zucht is inmiddels meer dan 50.000 keer bekeken op YouTube. „Recht uit het hart”, meent de een, terwijl een ander noteert dat ze haar nog nooit „zo emotioneel” heeft gezien en nu pas beseft dat de majesteit een “lieverd!!” is. „RESPECT voor ONZE koningin!”.

Bijna iedereen was het erover eens dat de vorstin nu definitief van haar koele imago af was doordat ze zich van deze ‘menselijke’ kant had laten zien. Deze reactie suggereert dat wie zijn emoties laat zien, menselijker wordt. Wie rechtstreeks vanuit het gevoel reageert, is oprecht. Een zucht ‘ontsnapt’ immers – die is niet gepland of geregisseerd. En dat wat ontsnapt aan controle van de rede – verdriet, woede, vreugde – móet wel echt zijn.

Emoties verraden dus wie een persoon is. De persoonlijkheid wordt als het ware ‘betrapt’, wanneer de mens ongecontroleerd handelt. Deze opvatting van menselijkheid gaat ervan uit dat de mens het meest zichzelf is als die samenvalt met zijn gevoel. We typeren elkaar niet voor niets vaak op grond van onze meest voorkomende emotie: ‘driftkikker’, ‘blije vogel’, ‘melancholicus’, ‘verlegen’, ‘overbezorgd’. Wat ik voel , is wie ik ben.

De stelling dat iemand menselijker wordt als hij zijn gevoelens uit, gaat echter alleen op wanneer die emoties oprecht worden gevonden. Aan de echtheid van de traan van presidentskandidate Hillary Clinton – vlak voor de verkiezingen – werd door velen bijvoorbeeld getwijfeld. Was dit een ingestudeerde verkiezingstraan om meer sympathie bij de kiezer te winnen en van haar koele imago af te komen? Twijfel over de oprechtheid van emoties maakt iemand niet menselijker, maar juist strategisch, koel, manipulatief, berekenend, vals en nep.

De mens als zijn gevoelens is een definitie die haaks lijkt te staan op de klassieke Cartesiaanse opvatting ‘ik denk dus ik ben’. Immers, ‘ik voel dus ik ben’ stelt niet de rede als motor voor het menselijk handelen centraal, maar dat wat daaraan ontsnapt: het gevoel. Oftewel: de onredelijkheid.

Opvattingen van de mens als denkend wezen of als gevoelswezen strijden in de geschiedenis van de filosofie dan ook om voorrang. Economen werkten aanvankelijk met de opvatting dat de mens een homo economicus is: een wezen dat rationeel en calculerend handelt bij de aanschaf van goederen. Daar tegenover stelden critici de homo emoticus: de mens handelt over het algemeen, zelfs of juist in geldzaken, zonder na te denken – impulsief en emotioneel.

De opvatting dat de mens primair een gevoelswezen is, dateert van recente datum. De Oude Grieken gaven het gevoelsleven weliswaar een plek in hun beschouwingen, maar meenden dat de rede het gevoel kon en diende te beteugelen. Ook de Stoïcijnen propageerden een leven volgens de rede. Zelfs de Epicuriërs, die ‘genot’ als een belangrijke drijfveer van het menselijk handelen erkenden, waren van mening dat de rede die impuls diende te beteugelen.

De Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v. Chr.) zag daarbij een bijzondere functie weggelegd voor het toneel: in de tragedie werden de noodlottige gevolgen van de menselijke emotie (wraak, verdriet) uitgebeeld. De bedoeling was dat de toeschouwer ‘gelouterd’ (catharsis) zou worden door naar uitgebeelde emoties te kijken. De toeschouwer zou niet tot het kopiëren overgaan, want hij zou begrijpen dat wie zich louter door emotie laat leiden, uiteindelijk tot geweld komt.

De meeste Verlichtingsdenkers hadden weliswaar oog voor het belang van het gevoel, maar meenden net als de oude Grieken dat de rede leidraad diende te zijn. Het zijn de Romantische filosofen, met als aanvoerder Arthur Schopenhauer (1788- 1860), die in de negentiende eeuw definitief de rede van zijn voetstuk stootten. Het hyperindividuele gevoelsleven kwam centraal te staan en termen als spontaniteit, intuïtie en authenticiteit werden bepalend in het denken over de mens.

De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) voerde ‘de edele wilde’ zelfs als ideaalbeeld op: een primitieve mens die vrij, onafhankelijk en gezond was, omdat deze een taalloos bestaan zonder reflectie leidde. Beschaving, ja de rede, „corrumpeerde” slechts de natuurlijke aard van de mens, aldus Rousseau.

De rede wordt ook tegenwoordig door postmoderne filosofen als onbetrouwbare houvast en zelfs als gevaar beschouwd. De Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998) muntte in de jaren tachtig van de vorige eeuw de term „rationalistische terreur” om aan te geven hoe producten van de rede, zoals technologie en massaficatie, tot vernietigingspraktijken (oorlog, concentratiekampen) hadden geleid.

Tegelijkertijd herwaardeerden feministen het gevoel als een belangrijke factor bij ethische beslissingen en bekritiseerden de wijze waarop de rede onder meer wetenschappelijk racisme legitimeerde, door aan bepaalde ‘primitievere’ volken minder verstand toe te bedelen. Ook maakten zij duidelijk dat vrouwen en het vrouwelijke ten onrechte vereenzelvigd werd met het ‘emotionele’ en mannen met het ‘rationele’.

Voor mannen ligt er echter nog altijd een groter taboe op het uiten van emoties. No drama Obama kon zich weliswaar een traan permitteren toen zijn grootmoeder overleed, maar toen was hij al gekozen tot president. Louis van Gaal die met natte ogen zijn ontslag bij FC Barcelona beweende, werd al aanstelleriger gevonden, al is sport wel een domein waar meer mannelijke emotie is toegestaan (denk aan de snikkende tennisser Roger Federer na het verliezen van de Australian Open).

Nu hebben postmoderne denkers het primaat van de rede weliswaar bekritiseerd, maar emoties zijn volgens hen evenmin betrouwbaar. Wie zijn eigen emoties vooropstelt, kan immers ook onmenselijker worden, namelijk egoïstisch, koket en manipulatief. Het veinzen van emoties vindt zijn hoogtepunt in de beeldcultuur.

Als een Palestijnse vrouw ziet dat de camera op haar gericht is, weet zij precies hoe zij haar verdriet het beste kan vormgeven om aandacht te generen voor het geweldsconflict in het Midden-Oosten. Zelfs het orgasme, een domein dat zich volkomen aan de rede lijken te onttrekken, blijkt een ‘bemiddelde’ ervaring: in de roman Politics laat Adam Thirwell op grappige wijze zien hoe de media zijn seksleven beïnvloeden. Bij iedere vrijpartij denkt de hoofdpersoon: kreun ik zó goed?

Anno 2009 zijn we, volgens hoogleraar Henri Beunders, die het boek Publieke tranen – De drijfveren van de emotiecultuur schreef, dan ook doorgeslagen in de opvatting dat de mens samenvalt met zijn gevoelens. We zijn totaal gefixeerd op emotie: de regie bij de traan van prinses Máxima tijdens haar huwelijk met prins Willem-Alexander (‘ja, inzoomen, nu, nu!’) demonstreert dat. We leven volgens Beunders in een „emocratie” en een „emotiecultuur”, waarin het uiten van emoties een dwang en zelfs een gezamenlijke opdracht is geworden. Zie het publieke rouwen bij André Hazes, Pim Fortuyn, Jos Brink, Martin Bril en, niet te vergeten, Michael Jackson.

Beunders heeft een punt. Want, is ons taalgebruik niet eveneens overgenomen door emoties? Via de emoticon (die dateert uit 1982), voegt de chatter, sms’er en e-mailer, aan vrijwel iedere zin een gevoelsuiting toe: blij, verdrietig, boos, verbaasd, twijfelend, sarcastisch, geschokt, beledigd, verward, onzeker. We hoeven dat niet heel serieus te nemen – het relativerende knipoogje is het meest gebruikte emoticon. Toch houden we vast aan de idee dat de mens het meest oprecht is als die zijn emoties uitdrukt.

Ook van publieke figuren worden emoticons gemaakt: koningin Beatrix is er een. Die kon je gebruiken als je iets ‘koninklijks’ of ‘hoogdravends’ had geschreven. Tot voor kort. Nu kan je iemand er ook mee troosten, respect betuigen of laten zien: ‘kijk, ik ben een mens’.

Ik zucht, dus ik ben.