Who's bad? De artsen, die waren slecht

Michael Jackson was een monster. Als chirurgen alles doen wat de patiënt maar wil, gaat de patiënt steeds meer en steeds vreemdere operaties wensen, aldus de arts Theodore Dalrymple.

Ik moet een van de weinige mensen in de westerse wereld zijn die een liedje van Michael Jackson niet zou herkennen. Ik zal er heus wel eens een gehoord hebben, want ze worden als gifgas de openbare ruimte ingepompt, maar ik doe al tientallen jaren mijn best om zo weinig mogelijk aan dit soort zaken te worden blootgesteld.

De andere mensen in de westerse wereld die zijn liedjes niet zouden herkennen zijn mijn vrienden.

Michael Jackson interesseert me zoals een kermisgedrocht mij interesseert; er gaat een zekere morbide fascinatie van hem uit. Tegen het einde van zijn leven deed hij me denken aan van die lammetjes met zes poten en baby’s met twee hoofden op sterk water in pathologische musea. Hij was een monster, ook al was zijn monsterlijke aard meer het product van de cultuur dan van de natuur.

Deze gedrochtelijkheid – waardoor thans de onopvallenden zich onderscheiden – was in het geval van Jackson tot het uiterste doorgevoerd. Ik zag onlangs een advertentie – ik weet niet meer waarvoor – waarin een man was afgebeeld bij wie zwaar getatoeëerde kuiten en enkels uit zijn broekspijpen staken. De tekst van de advertentie luidde: ‘Je weet wie je bent.’ Dit duidt toch wel op een flinterdun besef van identiteit. En naarmate steeds meer mensen zelfverminking hanteren als middel om zichzelf uniek te maken, om te weten wie zij zijn, moeten de verminkingen wel steeds extremer worden. Er ontwikkelt zich een wapenwedloopmentaliteit, en alhoewel er ooit in de wereldgeschiedenis een ernstiger geval van zelfverminking kan zijn geweest dan Michael Jackson, kan ik er nu niet op komen. Gezien het oneindige menselijke vermogen tot innovatie zal ongetwijfeld binnenkort iemand met iets nog extremers komen.

De opeenvolgende zelfverminkingen van Michael Jackson vormen een aanwijzing voor zelfhaat of zelfverachting en het wordt mij droef te moede wanneer ik stilsta bij het weinige wat ik van zijn leven weet. (Ik raak bovendien verontwaardigd over de cultuur die hem heeft voortgebracht en die hem zo onverdiend prominent heeft gemaakt.) Sedert zijn prilste kindertijd afgericht om op te treden leefde hij, ademde hij, putte hij zijn wezen uit extreme vulgariteit en slechte smaak.

Zijn leven was een tot biografie geworden Las Vegas. Ik heb niets tegen Las Vegas, maar het is iets voor een excursie, niet voor een existentie.

Dan is er natuurlijk de zelfhaat of zelfverachting waarvoor zijn opeenvolgende zelfverminkingen een aanwijzing vormen. Zeker, de meesten van ons wensen zo nu en dan wel dat zij in andere omstandigheden, met andere eigenschappen, waren geboren dan die waarin, en waarmee, wij in werkelijkheid geboren zijn. Maar volwassenheid – naar verluidt niet Jacksons grootste troef – betekent dat je het beste maakt van de kaarten die het lot je heeft toebedeeld.

Dan wil ik het nu hebben over de artsen die Jackson hebben geholpen zijn kinderlijke, pathologische fantasieën uit te leven. Om het maar eens ronduit te zeggen: ze lijken mij – ik had willen zeggen ‘op het eerste gezicht’ – crimineel. Omwille van geld hebben zij hun beroepsethiek laten varen, hebben zij welbewust gedaan wat niet had mogen gebeuren.

Zij zouden uiteraard kunnen aanvoeren dat ik het geval niet persoonlijk ken, dat zij bijvoorbeeld aan zijn wensen gehoor hebben gegeven omdat ze meenden dat hij overmatig zou lijden als zij zouden weigeren zijn wensen te vervullen. Dit raakt aan belangrijke medisch-ethische kwesties.

Het centrale begrip van de huidige medische ethiek is de persoonlijke autonomie. Een mens moet vrij zijn om zijn eigen weg te kiezen, hoe onverstandig die ook is. Beroepsmatig paternalisme is derhalve ontoelaatbaar. Dus toen Jackson zichzelf door opeenvolgende operaties tot een gedrocht wilde laten maken, had geen arts de plicht zelfs maar te proberen hem ervan af te brengen. Een tweede punt is dat Jackson beschikte over de financiële middelen om zich zijn verminking te kunnen veroorloven; hij deed daarvoor geen beroep op publieke gelden.

Dit lijkt mij een primitieve, ondeugdelijke redenering. In het medisch handelen is er negatieve en positieve autonomie. Als ik als arts tegen de patiënt zeg: „Ik vind dat u deze pillen zou moeten slikken”, heeft de patiënt zonder meer het recht om mijn advies niet op te volgen, terwijl ik niet het recht heb om naleving van mijn advies af te dwingen.

Maar dat is niet hetzelfde als dat de patiënt recht zou hebben op al wat hij verkiest. Hij zou bijvoorbeeld een behandeling kunnen eisen voor een ziekte die hij niet heeft, en de arts die aan zijn wens zou voldoen, enkel omdat het zijn wens was, zou onverantwoord handelen. De arts dient niet alleen rekening te houden met de wensen, maar ook met de belangen van de patiënt.

Niet zo lang geleden heeft in Schotland een chirurg kortstondige faam verworven doordat hij bereid was benen te amputeren bij de weinigen die dat wensten, hetzij om persoonlijke seksuele redenen, hetzij om in de smaak te vallen bij de kleine clientèle die geamputeerden seksueel aantrekkelijk vond. Als rechtvaardiging voor zijn handelen werd het volgende aangevoerd: sommige patiënten wensen zo vurig geamputeerd te worden, dat als ze niemand vinden die het onder de juiste medische omstandigheden wil doen, ze zelf een methode verzinnen, met groot gevaar voor henzelf. Of, als zij geen kans zien zich te laten amputeren, zullen zij de rest van hun leven doorbrengen in een staat van frustratie en smart.

Daartegen kan worden aangevoerd dat die frustratie en smart in zo’n geval niet het gevolg zijn van het uitblijven van een amputatie op zich, maar van de overtuiging dat iemand, ergens, het voor hen zou kunnen en willen doen, als zij hem maar konden vinden. Dat er een Schotse chirurg bestond die bereid was zulke amputaties te verrichten, zou dan ook de frustratie en de verbittering vergroten, niet verkleinen, tenzij alle andere chirurgen zouden meedoen. Daar komt bij dat het aanbod de vraag zou kunnen stimuleren. Als chirurgen bereid zouden zijn te doen wat de patiënten maar wilden, zouden de patiënten steeds meer en steeds vreemdere operaties wensen.

Hiertegenover zou de Schotse chirurg uiteraard kunnen stellen dat het hem gaat om het welzijn van de individuele patiënt, niet dat van de samenleving, en als de kwaliteit van iemands leven, althans in zijn eigen ogen, kan worden verbeterd door een amputatie, wie is hij, de chirurg, dan om hem dat te ontzeggen?

Zo zouden uiteraard de chirurgen zich verdedigen die Jackson hebben bijgestaan in zijn langdurige zelfverminking.

Jackson is een extreem toonbeeld van de toenemende onwil van de moderne mens om grenzen te stellen aan zijn begeerten – de eerste voorwaarde die Edmund Burke stelde aan de uitoefening van de vrijheid. Jackson, het is vaak gezegd, was een kind dat nooit is opgegroeid; „Ik wil, ik wil!”, daar kwam heel zijn wereldbeschouwing op neer. Hij was in extreme vorm een hoogst karakteristiek specimen van de moderne mens, met als levensloop vroegrijpheid, gevolgd door permanente adolescentie. Dat was meer tragisch dan benijdens- of bewonderenswaardig. Maar het was een tragedie van onze tijd.

De Britse arts Theodore Dalrymple is redactielid van het Amerikaanse City Journal. Zijn nieuwe boek Profeten en Charlatans verschijnt in september.

    • Theodore Dalrymple