Toch nog passie na de pauze

Pop Crosby, Stills and Nash. Heineken Music Hall, 6 juli ***

Een voordeel van het op leeftijd raken van supersterren uit de jaren zestig is dat je eindelijk eens gewoon, voorbij modes en trends, naar hun muziek kunt luisteren. Soms verlang je dan direct terug naar modes en trends, van de schrik, maar soms krijg je ook wat.

Dat was gisteren, met enige goede wil, het geval bij een uitverkocht concert van het archetypische hippie-trio Crosby, Stills en Nash, ooit voorzangers in de linkse kerk. Ze maakten de verwachtingen van het grotendeels uit generatiegenoten bestaande publiek waar, zij het niet zonder moeite, in een concert dat pas na een (ongebruikelijke) pauze echt begon.

In het semi-akoestische deel daarvoor zaten teveel niemendalletjes en covers (van onder meer James Taylor en Bob Dylan) waarmee kennelijk een nieuwe cd moest worden gepromoot, maar die verhinderden dat de set tempo kreeg. Graham Nash, auteur van de smartlap Our House en altijd al de cheerleader van het trio, mocht een draak van een lied ten doop houden waarin God wordt gevraagd een eind te maken aan het geweld in de wereld. De joviale manier waarop de heren elkaar de ruimte gaven, maakte daarbij nog eens duidelijk waarom ze destijds een hittezoekend projectiel als Neil Young nodig hadden om hun toffe samenspel wat meer agressieve frictie te geven.

Maar na de pauze vielen de stukjes van de puzzel toch nog mooi in elkaar, met gelukkig een grotere rol voor de begaafde gitarist en sympathieke bluffer Stephen Stills en de altijd begeesterde zanger David Crosby. Al is de fenomenale samenzang waarmee het drietal in hun hoogtijdagen school maakte onvermijdelijk afgevlakt, slagschepen als Long Time Gone, Deja Vu en Almost Cut My Hair kregen statige uitvoeringen, waarin zowaar iets van de Woodstock-geest voelbaar werd.