Onderdrukking Oeigoeren gaat jaren terug

Het etnische geweld tussen Oeigoeren en Han-Chinezen in de provincie Xinjiang komt niet uit de lucht vallen. De spanningen hebben historische wortels die decennia teruggaan.

Het etnische geweld in de westelijke Chinese provincie Xinjiang is niet nieuw. Spanningen tussen islamitische Oeigoeren en Han-Chinezen bestaan al tientallen jaren. Ze gaan minstens terug tot de stichting van de Volksrepubliek China en zijn vooral geworteld in de onderdrukking van het islamitische geloof van de Oeigoeren.

De Oeigoeren zijn een volkstam die cultureel en taalkundig nauw verwant is met de Turken. Turkse nomaden trokken eeuwen geleden al door Centraal-Azië en stichtten daar tientallen khanaten. Wat nu Xinjiang is vormde destijds een belangrijk steunpunt op de Zijderoute, die het Verre Oosten verbond met het Romeinse Rijk. Oeigoeren vonden daar een onderkomen.

In de eeuwen die volgden was de regio het decor van botsingen tussen de grote imperialistische rijken, de Ottomanen, de Britten en de Tsaristische Russen. Gedurende die tijd riepen Oeigoeren meermalen de onafhankelijkheid uit. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd, uit verzet tegen de overheersing door de Sovjet-Unie, de onafhankelijk republiek Oost-Turkestan uitgeroepen, een verwijzing naar de eeuwenoude ‘droom van het Grote Turkse rijk’ Turkestan, waarin alle Turkse volksstammen van de Balkan tot China verenigd zouden zijn. De opstand werd onmiddellijk door de Russen neergeslagen. Een decennium later volgde een tweede vergeefse poging tot onafhankelijkheid.

Het keerpunt kwam in 1949, toen de Chinese Volksrepubliek werd opgericht. Als onderdeel van een deal met de toenmalige Russische dictator Stalin kwam het huidige Xinjiang in handen van China. Zes jaar later kreeg het gebied autonome status. Maar op alle belangrijke posten werden Han-Chinezen aangesteld. Oeigoeren kwamen in de verdrukking. Han-Chinezen zijn, onder aanmoediging van de Chinese overheid, massaal naar Xinjiang geëmigreerd.

In 1949 was 90 procent van de inwoners van Xinjiang Oeigoers, nu is dat minder dan 50 procent. Oeigoeren voelen zich achtergesteld en in hun (geloofs)vrijheid beperkt. Er ontstonden afscheidingsbewegingen, zoals de East Turkestan Independence Movement (ETIM), die intussen verbannen is omdat ze banden zou hebben met Al-Qaeda.

De onafhankelijkheidsstrijd kreeg in de jaren negentig een belangrijke impuls. Met de val van de Sovjet-Unie ontstonden vier nieuwe onafhankelijke islamitische staten in Centraal-Azië: Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan en Kirgizië. Ook deze landen zijn cultureel en taalkundig nauw verwant met de Turken.

China reageerde met meer repressie. Peking was bang voor de precedentwerking die uit zou gaan van onafhankelijkheid van Xinjiang op andere etnische minderheden. In 2001 verhardde de strijd verder. Peking betichtte onafhankelijkheidsbewegingen van islamitisch fundamentalisme en terreur. Het kreeg daarvoor impliciet een carte blanche van de Verenigde Staten, dat zelf na ‘9/11’ een internationale campagne tegen terreur was begonnen. Bewijzen voor banden tussen de Oeigoerse onafhankelijkheidbewegingen en islamitische terroristen zijn nooit gevonden. Wat niet wegnam dat China in 2001 25 leden van ETIM op brute wijze executeerde.