Leve de juf met een academische graad

Leerlingen kijken niet meer op tegen leerkrachten.

Wat we nodig hebben zijn meesters met gedegen vakkennis en een enorme behoefte die over te dragen.

Waarom vertrouwen we het basisonderwijs toe aan de zwakste havo-leerlingen? Want vergis je niet: het zijn meestal de minder getalenteerde leerlingen die ‘maar’ de pabo gaan doen. Dat is met de toegenomen scholingsgraad van de bevolking eigenlijk ontoelaatbaar. De klachten over hun onkunde, onwil en onbenul zijn legio. Alle reparatiecursussen voor rekenen en spelling kunnen het lage instroomniveau niet goedmaken.

Het gaat niet alleen om specifieke vakkennis. Een leraar, ook in het basisonderwijs, dient over een brede algemene ontwikkeling te beschikken. Hiervoor is een ‘academische’ attitude nodig. Leerlingen van de basisschool, die van thuis meer meekrijgen dan ooit, merken dat het daaraan ernstig schort. Laatst hoorde ik een meisje zeggen: „Mijn juf is zo dom.” Dat is een gruwelijke uitspraak. Wat kan men verwachten van onderwijs waarin de leerling niet meer tegen de leerkracht opkijkt?

De onderwijzers die wij in de oude school meemaakten, waren echte meesters. Door hun brede kennis boezemden zij ontzag in. Zij hadden dan ook niet de Pedagogische Academie doorlopen, maar de Kweekschool, een instituut dat toen nog als universiteit van het volk fungeerde. De Theo Thijssens die daarheen gingen, hadden een onblusbare drang naar kennis en een enorme behoefte om die kennis over te dragen. Na 55 jaar herinner ik mij nog letterlijk lessen van mijn onderwijzers aan een Haagse volksschool. Mijn studenten en gymnasiasten horen nog weleens: „Mijn meester Tabbers zei altijd…”.

Hoe krijgen we die meesters Tabbers en Thijssen weer terug? De Universiteit van Utrecht is vorig jaar begonnen met een academische opleiding voor basisschoolleraar. De universiteit moet het academisch gehalte inbrengen, de plaatselijke Pabo zorgt voor de praktijkopleiding. Met dit model wordt voldaan aan één voorwaarde voor niveauverhoging, namelijk een hoger instroomniveau. En zo zijn vwo-meisjes binnengehaald. Maar al na één jaar haken ze af.

Het universitaire onderwijs dat de aspirant-onderwijzers wordt voorgezet, bestaat uit onderwijskunde. Met alle respect, maar dat is nu net niet het vak dat een basisschoolleraar de vereiste brede ontwikkeling geeft. Te voorzien is bovendien dat degenen die dit traject toch afmaken, zullen opteren voor beleidsfuncties en management. En de onderwijssector heeft al zoveel stuurlui aan de wal staan.

Jaloers op het initiatief van Utrecht beginnen de VU en de universiteiten van Leiden en Nijmegen ook met een onderwijzersopleiding. Sommige willen het accent meer op pedagogie leggen. Alsof dat het euvel verhelpt. Het lijkt er meer om te gaan kwijnende studierichtingen uit het slop te helpen dan het basisonderwijs een dienst te bewijzen. Wat de basisschool nodig heeft, zijn mensen die een solide vak gestudeerd hebben dat hem/haar een relevante ontwikkeling en kennisdrang bijbrengt. Nederlands, geschiedenis, sociale geografie, natuurkunde, biologie, bijna alle echte vakstudies zijn geschikt. Desnoods doet men als major een bundelvak zoals cultuurwetenschappen. In de bijvakken of minors kan de aankomende onderwijzer dan wat aan onderwijskunde en pedagogie doen. Pas als de studie basisschoolleraar academische postuur krijgt, wordt zij een uitdaging voor vwo’ers. Misschien komen er dan ook vwo-jongens, de nazaten van meester Tabbers.

Dr. Anton J.L. van Hooff leidde aan de Universiteit van Nijmegen leraren klassieke talen op.

    • Anton van Hooff