Kleine belegger moet bijspringen in de publieke sector

De burger moet weer een rol gaan spelen bij de financiering en besturing van maatschappelijke dienstverleners, zoals zorginstellingen. Wat krijgt hij daarvoor terug?

Miljoenen burgers zijn klant, maar wie is eigenlijk de eigenaar van scholen, ziekenhuizen, zorginstellingen en woningcorporaties?

De burger betaalt wel, maar is niet de eigenaar en ook niet de baas. Al deze instellingen in het zogeheten ‘maatschappelijk middenveld’ financieren hun activiteiten uit belasting- en premieheffingen. Of zij hebben formidabele vermogens opgebouwd dankzij een beschermde positie, zoals de woningcorporaties. De semi-publieke sector werkt met een bedrag aan maatschappelijk gebonden vermogen en uit de publieke kas gefinancierde uitgaven van tegen de 300 miljard euro.

Zij leveren cruciale maatschappelijke diensten, maar wie heeft greep op hen? Zij zijn, zoals dat heet, verstatelijkt: de staat zorgt voor hun financiën, de semi-publieke sector zelf bestaat vooral uit stichtingen zonder leden. De bestuurders worden intern alleen gecontroleerd door een raad van toezicht of door commissarissen. In tegenstelling tot het bedrijfsleven zijn er geen (mondige) grote aandeelhouders, zoals pensioenfondsen, of een Vereniging van Effectenbezitters als tegenkrachten.

Dat wringt. Al jaren.

Het kabinet heeft gisteren een wetsontwerp naar de Tweede Kamer gestuurd voor een nieuwe rechtsvorm voor het maatschappelijke middenveld (zie kader). Over het onderwerp hebben alle mogelijke danktanks en adviesfora inmiddels hun mening gegeven in rapporten.

De belangrijkste gangmakers van de maatschappelijke ondernemingen zitten in het CDA. Minister-president Balkenende schreef er zijn proefschrift over. Minister Klink (VWS) schreef als directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA in 2004 een rapport met ideologie en praktische maatregelen. Een van Klinks voorstellen toen: burgers moeten fiscaal aantrekkelijk kapitaal kunnen steken in bijvoorbeeld scholen en zorginstellingen.

De huidige situatie wringt om meerdere redenen. De burger wil waar voor zijn geld en ziet met afgrijzen hoe hoog de beloningen en gouden handdrukken van sommige bestuurders zijn gestegen. En hoe vertrouwde zorginstellingen failliet gaan (thuiszorgbedrijf Meavita), bijna failliet gaan (Philadelphia, gehandicaptenzorg; Orbis ziekenhuis), door de overheid gered moeten worden (IJsselmeerziekenhuizen) of 80 miljoen euro verlies moeten nemen op één project (woningcorporatie Woonbron bij de ss Rotterdam).

Het wringt ook voor de staat zelf. De overheid houdt wel toezicht op de kwaliteit van de dienstverlening, bijvoorbeeld via de onderzoeken van de Inspecties op scholen en in zorginstellingen. Maar Nederland heeft zoveel ‘maatschappelijk middenveld’. Minister Hirsch Ballin (CDA) in zijn toelichting op het wetsontwerp: de Nederlandse semi-publieke sector is „naar verhouding een van de grootste ter wereld”.

Maar de overheid heeft voor het uitgestrekte middenveld ook zoveel complexe, soms tegenstrijdige (financierings)regels opgesteld, dat het overzicht in Den Haag gemakkelijk verloren gaat.

Het kabinet wil de rol van de burger in de maatschappelijke dienstverlening drastisch verruimen. Burgers moeten de overheid een handje komen helpen. Om te beginnen moeten ze de mogelijkheid krijgen om kapitaal te steken in bedrijven van het ‘middenveld’ en op die manier hun armslag te verruimen. Het wetsontwerp mikt niet op de grote beleggers. Zij willen meer zeggenschap dan zij in dit wetsontwerp krijgen. Ook het fiscale voordeel voor de burger dat Klink voor ogen stond, ontbreekt.

De vraag is of er behoefte is aan extra particulier kapitaal. Die vraag stelt het wetsontwerp niet. Het kan gezien de permanente kostenbeteugeling zeker een extra particuliere financieringsbron worden voor zorginstellingen. Voor scholen lijkt de noodzaak gezien hun financiële reserves niet acuut. Het wetsontwerp kijkt hier alleen naar het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Minister Plasterk (Onderwijs; PvdA) ziet zelf niets in winstuitkeringen. Voor woningcorporaties zijn de bedragen die burgers bijeen kunnen brengen niet veel meer dan een symbolische bijdrage. Voor alle sectoren geldt wel dat een financiële deelneming de burger een eigen belang geeft in de manier waarop publieke diensten worden bestuurd. In dat opzicht past het in trend naar beter burgerschap.

Wat krijgt de burger terug voor zijn kapitaal? Het kabinet ziet het als een stimulans: het middenveld kan ‘beter ondernemingsbeslissingen’ nemen. De burger kan in ruil voor zijn kapitaalinbreng aanspraak maken op winstuitkeringen, maar zeker is dat niet. De bestuurders blijven beslissen.

De kapitaalverschaffers kunnen zich verenigen en op die manier meepraten met de onderneming. Dat zelfde geldt voor klanten en andere belanghebbenden die meerdere rollen krijgen: advies, dialoog en verantwoording. De kapitaalverschaffers en de belanghebbenden moeten in wezen een ‘eigenarenrol’ spelen zoals aandeelhouders in het bedrijfsleven. Zij krijgen de bijbehorende rechten, zoals de gang naar de rechter om onderzoek naar mogelijk wanbeleid te laten uitvoeren en bij wanprestatie bestuurders tot aftreden te dwingen.

    • Menno Tamminga