'Ik geef mezelf bevel: fietskleren aan'

Slapen of samenwonen doet schrijver Maarten van Buuren niet met zijn vriendin. Samen fietsen gaat wel. Soms. Ze rijdt op zijn reservefiets.

Maarten van Buuren met zijn Principia in Utrecht. (Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold) utrecht maarten van buuren foto rien zilvold Zilvold, Rien

Bij het maken van een afspraak komt Maarten van Buuren meteen ter zake: sport is voor hem een existentiële bezigheid. „De grens tussen zijn en niet zijn speelt zich af langs de wielen van mijn fiets”, zegt hij aan de telefoon.

Van Buuren (61), hoogleraar Moderne Franse Literatuur aan de Universiteit van Utrecht, raakte in januari 2000 verzeild in een diepe depressie. Hij schreef er een boek over, Kikker gaat fietsen! (2008) Een succes: zes drukken in zes maanden, ruim 15.000 exemplaren verkocht. Reacties? „Overstelpend. Ik krijg pakketjes, brieven, e-mails. Hartuitstortingen. Vooral van vrouwen. Ze schrijven of ze een keer voor mij kunnen koken, of ze me mogen verzorgen. Vriendinnen van vroeger die ik uit het oog was verloren zoeken weer contact, willen langskomen. Ik kan eenvoudig niet tegen dat idee, van een afspraak. Ik heb een goede periode met ze doorgebracht, maar om ze nu opnieuw te ontmoeten?”

Een week later zitten we in de woonkamer van zijn appartement in het centrum van Utrecht. Een zolderkamer, met op de vliering een roei-ergometer en een zonnebank. Zijn racefiets, een Principia uit Denemarken, staat beneden, in een vertrek naast de gang.

Zodra hij een depressie voelt aankomen heeft hij twee mogelijkheden: naar boven op de ergometer, of naar beneden op de fiets. De fiets heeft zijn voorkeur, de ergometer is Plan B: „De kunst is de dag door te komen. In de namiddag, rond een uur of vijf, word ik soezerig. Als ik dan niet oppas verdwijn ik in een gat.” Dat gat is de stoel in zijn woonkamer, waar hij bij het interview op zit. „Het contact met mijn stoel moet ik doseren. Die stoel is een moeras waarin ik dreig te verdwijnen, oefent een bijna hypnotiserende werking uit. Een dood punt. De enige manier om dat proces te keren is mijzelf het bevel te geven: fietskleren aan. Ik fiets mijzelf het gat uit.”

Hij heeft een vast rondje, van zestig kilometer, met weinig kruispunten en maar één viaduct. Hij fietst het minstens drie keer per week, kent naar eigen zeggen elke centimeter van het parkoers. Het streven is om binnen twee uur weer thuis te zijn. „Je moet goed zitten op de fiets. In balans op het zadel. Niet stampen, dan werk je op wilskracht. Dan krijg je wat je bij profrenners ook wel ziet: werkpaarden.” Doel is in een ritme te raken, waardoor hij weer oog krijgt voor wat er om hem heen gebeurt, kleuren en geuren van de natuur, geluiden en bewegingen van vogels en beesten. „Na een kilometer of vijftien wordt de wereld aan mij teruggegeven. Daarna kom ik opgekikkerd van de fiets af. Profiteer ik van door te gaan schrijven. Je hand zit dan losser.”

Fietsen, schrijven. Kikker, zoals hij zijn boek noemt, ligt buiten zijn vakgebied. Volgens Van Buuren is zijn werkgever, de universiteit, niet blij met de wending die zijn leven heeft genomen. Nieuwe egodocumenten staan op stapel, over de liefde en zijn geboorteplaats. De chef van zijn vakgroep heeft in een functioneringsgesprek laten weten dat hij ontslag zou moeten nemen voor de dagen die hij besteedt aan ‘niet wetenschappelijk werk’.

Hij maakt zich er niet druk om, benadrukt dat er geen weg terug is: „De crisis die ik in Kikker beschrijf is niet alleen een inzinking geweest, maar heeft mij ook inzicht gegeven in de patronen van mijn leven. De grote winst is dat mijn hang naar duursport erdoor is verklaard. Fiets, bergbeklimmen, vroeger wedstrijdroeien; ik kan die activiteiten nu een plaats geven. Om mijn leven in balans te houden moet ik aan sport doen. Daar bouw ik nu alle andere activiteiten om heen. Pas als ik de uitputting nabij ben kan ik contacten onderhouden met mijn omgeving.”

Van Buuren groeide op in Maassluis, de geboorteplaats van Maarten ’t Hart, met wie hij intensief contact heeft, ook over fietsen. Een gereformeerde jeugd in een middenstandsgezin, zijn vader had een klein verhuisbedrijf. Zijn eerste ‘meer dan gewone’ fiets kocht hij tijdens het tweede jaar van de middelbare school. „Een rode Gazelle. Nee, geen racefiets, maar wel met een gebogen stuur en toeclips. Had ik zelf voor gespaard. Was ik stinkend trots op.”

Zijn studietijd bracht hij door in Groningen. Eind jaren zestig, de tijd van studentenonlusten, maar daar deed hij niet aan mee. „Ik werd wedstrijdroeier bij Aegir. Als student Frans. Daar hadden ze nog nooit van gehoord, collega’s deden rechten of medicijnen. Een ander milieu? Zeker, maar dat had ik niet door. Toen ik naar Groningen ging wist ik niet eens dat er studentenverenigingen waren. Daar was in Maassluis niets van bekend. Ik wilde weg van de gereformeerde afkomst waar ik mee had gebroken. Vindicat, de studentenvereniging, beschouwde ik als een horizonverbreding. Jongens van heel verschillende komaf werden er lid van. Politiek gezien was het een heel verkeerde club. Mijn sympathie lag juist uiterst links, Fré Meis van de CPN vond ik toen een geweldige man. Maar ik bleef de voordelen zien van het lidmaatschap. Er werden daar op roeigebied topprestaties verricht, op wereldniveau. Geld was er niet of nauwelijks. Het was liefdewerk oud papier. Aan feesten deed ik niet mee. Als raceroeier mocht je geen alcohol, niet roken, moest je om elf uur naar bed.”

Tijdens strenge winters, als het Van Starkenborghkanaal was bevroren, stapte hij met collega’s op de racefiets. Zo is een fietsclubje ontstaan dat nog steeds bijeenkomt, één of twee keer per jaar. Geen vrienden, zegt hij met klem. Die heeft hij niet. Medefietsers. Ze maken tochten in Nederland en Zuid-Frankrijk, waar een van de leden een vaste standplaats heeft op een camping. Hij is slecht in het onthouden van merken, weet alleen nog dat zijn eerste echte racefiets Frans was. „Ik ben wél tuk op kwaliteit. Het materiaal moet goed zijn, maar functioneel. Ik ben bereid er elke prijs voor te betalen. Nee, het gaat juist niet om de show. Zo houd ik ook niet van namen op mijn wielershirts.”

Showfietsers hebben niet bepaald zijn sympathie. Het liefst zou hij op een stadsfietsje aan wielerwedstrijden deelnemen, om vervolgens iedereen zijn hielen te laten zien. Zo staat hij ook in het leven. „Ik doe mij graag een beetje dommer voor dan ik ben. In het pokeren is daar een term voor: undercall. Die mentaliteit of strategie pas ik ook toe in het dagelijkse contact met mensen. Het moet natuurlijk ook weer geen verstoppertje spelen worden. Het is een omgekeerde vorm van arrogantie.”

Tijdens het tweede jaar van zijn studie trouwde hij, met een verpleegster. Het huwelijk hield niet lang stand. „Zoals je in Kikker hebt kunnen lezen zijn relaties bij mij altijd een gezellige chaos, zal ik maar zeggen. Je kunt stellen dat mijn depressie het gevolg was van de overmatige manier waarop ik mijzelf dwong te leven in patronen waar ik niet in paste. Huwelijk, de terreur van het familiedom, sommige werkzaamheden op de universiteit.”

Sinds 2007 heeft hij weer een vriendin. Depressief van aard, net als hij, maar „een beetje meer bipolair”. Hij heeft haar enthousiast gemaakt voor fietsen, haar onlangs zijn reservefiets gegeven, een Storck uit Duitsland. Een verjaardagscadeau. „Voor ik iemand mijn fiets geef…”, zegt hij. Het is de eerste zin die hij niet afmaakt. Nee, bij elkaar wonen of slapen kunnen ze niet. Samen fietsen gaat wel. Soms. Het zijn de enige tochtjes waarbij hij zich inhoudt. Ze duren langer dan twee uur.

Dit is het tweede van vier interviews met schrijvers over fietsen. Lees deel 1 op nrc.nl/tour.