Het gezicht van Vietnam

Gisteren stierf de 93-jarige Amerikaanse oud-minister van Defensie McNamara.

Voor deze zoon van een schoenhandelaar bestond de werkelijkheid uit cijfers.

Robert McNamara, die gisteren op 93-jarige leeftijd overleed in zijn woonplaats Washington, was in de jaren zestig het gezicht van de oorlog in Vietnam, het grootste trauma van het naoorlogse Amerika.

Hij was een technocraat van Republikeinse huize. Pas ruim veertig jaar nadat de Amerikanen Vietnam binnenvielen, in 1995, betuigde hij spijt voor de catastrofe, waarbij 58.000 Amerikaanse soldaten overleden. „Het was fout, vreselijk fout”, aldus de oud-minister in zijn memoires In Retrospect: The Tragedy and Lessons of Vietnam.

McNamara, zoon van een handelaar in schoenen, had nauwelijks defensie-ervaring toen de Democraat John F. Kennedy hem in 1961 vroeg het ministerie van Defensie te leiden. Hij was toen tweede man van het autoconcern Ford. In 1939 was hij op Harvard klaargestoomd voor een topfunctie in het bedrijfsleven. Een man voor wie de werkelijkheid bestond uit cijfers.

Zo benaderde hij ook oorlog. Dat was voor hem geen kwestie van veroveren en slachtoffers. Oorlog was voor hem cijferen. „Elke kwantitatieve maatstaf toont aan dat wij deze oorlog aan het winnen zijn”, zei hij in 1962 na een bezoek aan Vietnam.

Pas in de tweede helft van de jaren zestig – de vermoorde Kennedy was opgevolgd door Lyndon B. Johnson – liet McNamara zich door de CIA overtuigen dat de VS een fatale vergissing waren begaan. Het aantal demonstraties (‘Johnson moordenaar’) groeide. Maar toen hij in 1967 de president probeerde te overtuigen, zorgde Johnson er gauw voor dat McNamara werd overgeplaatst naar de Wereldbank. Het duurde nog zeven jaar voordat de VS zich uit Vietnam terugtrokken.

McNamara zelf zorgde er daarna als directeur van de Wereldbank voor dat de westerse wereld de hulp aan de allerarmsten vergrootte. Hij bleef bij de bank tot 1981, waarna hij praktisch tot aan zijn dood werkte als adviseur en consultant. Zo was hij ondermeer commissaris van Shell.

McNamara deed er in het openbaar het zwijgen toe over de oorlog, totdat hij in 1995 in zijn memoires beschreef hoe de tragedie tot stand kwam. De late bekentenis leverde hem opnieuw forse kritiek op. Maar kenners legden uit dat het bij zijn afstandelijke natuur paste: hij wilde alle puzzelstukjes bestuderen om tot een definitief oordeel te komen.

Feit is dat de VS het trauma van Vietnam toen alweer achter zich hadden gelaten. De zege in de eerste Golfoorlog, in 1991, toen de VS de Iraakse bezetting van oliestaat Koeweit ongedaan maakten, gaf Amerika zijn zelfvertrouwen in de krijgsmacht terug. Het legde, achteraf, de basis onder de tweede Golfoorlog in 2003. McNamara waarschuwde dat jaar tegen een unilaterale invasie van Irak, en legde een parallel met het begin van de oorlog in Vietnam, toen de VS de meeste bondgenoten ook niet wist te overtuigen. Er werd niet meer naar hem geluisterd.