Een oranje gloed alsof er net een ufo is geland

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 2: op zoek naar het donker in het Westland tussen de kassen.

Foto David Galjaard en Christian van der Kooy Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Eén meneer op een fiets. Verder is er helemaal niemand wakker in het Westland die samen met mij de zonsopgang wil bekijken. En deze meneer heeft geen tijd. Of geen zin. „Ik moet de cactussen gaan besproeien”, zegt hij wat gehaast, klaar om weer op zijn fiets te stappen.

Het is vier uur ’s ochtends en het is nacht in het dorp ’s Gravenzande, het mekka van de glastuinbouw. Nou goed, echt donker is het er niet. Als je naar de lucht kijkt, zie je altijd wel ergens een oranje gloed, mysterieus, alsof er achter de rijen donkere huizen een ufo is geland.

In de kassen van het Westland is het vierentwintig uur per dag zomer. Het lijkt een gemeente die nooit slaapt, waar je ’s nachts moeiteloos een boek kunt lezen in je achtertuin, waarvan de lichtvervuiling ongetwijfeld zichtbaar is vanaf de maan. Dat alles om de wereld te verblijden met Hollandse perziken, meloenen, tomaten, rozen, chrysanten. De straten zijn er naar genoemd: van Kersen- tot Komkommerlaan.

De tuinders hebben lekker vlak naast hun stralende kas naar eigen inzicht hun droomhuisje opgetrokken. Een bakstenen villaatje met glooiend gazon, of een glanzend witte bungalow, volgehangen met rozenstruiken – net waar je zin in hebt, als je thuis komt na een dagje rozen telen. Soms is er zelfs een moestuintje aangelegd, wat een enthousiasme.

De rolluiken zitten overal stevig dicht, de bewoners hebben in elk geval geen last van een eventueel lichtbad. Er is trouwens nergens een hond die de wacht houdt, of haan die kraait. Ze houden hier duidelijk meer van plantjes.

De cactusmeneer staat nog steeds naast zijn fiets en mijn auto, maar ik mag niet mee naar zijn kas. Wat hij op de cactussen gaat sproeien, durf ik al niet eens meer te vragen.

„Ik wil u van harte helpen hoor, echt.”

„Het kan gewoon niet, echt niet.”

Hij zit aan een tijdschema. Nu de cactussen, want vanmiddag kan het niet. „Die luchtvochtigheid, hè.” Ik knik ernstig.

Het sproeien doet hij parttime, de andere helft van de tijd werkt hij in het tankstation. Maar dat gaat straks om 7 uur pas open. De meneer stept met zijn fiets weer terug het fietspad op en maakt, vreemd genoeg, rechtsomkeert.

Zou hij nu de andere tuinders gaan waarschuwen? Ik stap uit, sla het portier van de auto dicht en wandel over de doodstille weg.

Niemand. Leegte. Waar is dat kleine leger Poolse gastarbeiders dan? Moeten er geen bonen of paprika’s geplukt? Of gaat dat ook met de computer?

Het Westland kent volgens Wikipedia twee belangrijke attracties: glastuinbouw en comazuipers. Dat laatste staat overigens gerangschikt onder het hoofdstuk ‘cultuur’. Een vreemde combinatie. Hoewel, in Scandinavië drinkt men zich ook laveloos, omdat de zon nooit ondergaat en het altijd daglicht is. Of was het nu juist andersom?

In elk geval is het in de Westlandse straten zo donker als mogelijk is in Nederland. In de zomer hoeft er niet veel verlicht te worden, en de regels worden strenger en strenger.

Toch zijn ze prachtig, de sporadische, gloeiende, couveuses. Zo erg is dat milieuding toch niet? Binnenkort oefenen de telers met ledlampen en dan is het milieubezwaar straks ineens van tafel geveegd. Couveuses, of schemerlampen in het landschap, meer is het niet.

Uren dwalen langs de groente- en fruitlaboratoria. Met de auto is dat spannend, als een spookjager zo dicht mogelijk bij de bron van die oranje gloed te komen, maar nooit kom ik in de buurt. Daar links! Te ver weg. Oh hier! Ook niet. De verlichte kas is volgens de wet van Murphy nooit de kas die je van de weg af kunt zien. Steeds eindig ik op doodlopende weggetjes tussen de duistere glazen hallen.

Ik speel dat het een ruimteschip is waarnaar ik op zoek ben. Telkens verdwijnt het schijnsel, om dan terug te keren op een andere plek. Of is dat mijn verbeelding? Weer omhoog kijken. Ha, daar is oranje licht. Alleen nog de hoek om. Het lijkt verdomme wel een jacht naar het Poollicht. Daar is er één! Langs de weg nog wel!

Uitstappen nu, rustig ademen, niemand te zien. Dichterbij sluipen. Waarom ben ik nu ineens bang? ‘Rozen’ prijkt sierlijk op het bord boven de hal. Zie je, niks aan de hand. Zou er een nachtwaker zijn? Binnen baden rijen planten in het daglicht tussen mysterieuze witte machines.

Een zacht brommend geluid, het klinkt als een waterval, is natuurlijk de motor van het ruimteschip. Dat krijg je van eenzame nachtelijke avonturen. Gekte slaat toe. Want kijk, op het glazen dak rookt een schoorsteen – daar zul je de CO2 -uitstotende boosdoener hebben. De hitte van de lampen moet natuurlijk worden afgevoerd.

De schitterende oranje lichtkoepel vlamt tot hoog de lucht in. Eigenlijk is het net zo donker als overal in Nederland: niet. Ik zie zelfs sterren. Of chartervluchten uit Kreta, kan ook.

Moeilijker wordt het om de zon te zien opkomen. In dit labyrint ben ik allang de weg kwijtgeraakt, laat staan dat noord en zuid nog zijn te onderscheiden. Het kompas op mijn geavanceerde telefoon werkt alleen met zonlicht, dat is handig zeg.

De lucht kleurt van zwart naar donkerblauw en donkergrijs. Het wordt licht. Een merel fluit alvast, maar verder is het stil. Waar is de zon dan? Daar links – nee dat is een kas. Misschien die gloed achter dat kerkje in de verte...? Ook een kas. Van verschillende kanten beginnen hanen te kraaien.

En dan, op een onduidelijk moment, is de lucht zo licht dat de oranje gloed ineens verdwenen is. Wat overblijft is grijs. Grijze wolkenlucht, grijze kassen. Alsof er nooit een ufo was.

    • Olga van Ditzhuijzen