De taxiverloedering

Naast alle andere problemen hebben we in Nederland ook nog een taxiprobleem. Op het eerste gezicht lijkt het niet het moeilijkste probleem. In de meeste landen en wereldsteden word je als klant behoorlijk behandeld, hoewel we nu ook weer niet moeten doen alsof daar nooit iets aan de hand is.

Het is alweer dertig jaar geleden dat een taxichauffeur in Buenos Aires mij ’s nachts uit zijn taxi dreigde te gooien als ik niet wilde bijbetalen. Ik deed het braaf, want Buenos Aires is een vreselijk grote en ’s nachts desolate stad. En een paar jaar geleden in Rome: een taxichauffeur verhoogt tijdens de rit naar het vliegveld de afgesproken prijs, omdat hij af en toe komt vast te zitten in het verkeer. Ditmaal weigerde ik dankzij mijn in Buenos Aires opgebouwde rancune.

Wat ik in het buitenland alleen nooit heb meegemaakt, is dat de taxi’s je per definitie weigeren tenzij het een lange, dure rit is. Ook die opgewonden taferelen met voortdurend kiftende en schreeuwende chauffeurs ken ik alleen uit Nederland. Bij het Centraal Station en het Leidseplein in Amsterdam lijken de taxistandplaatsen kooien voor hongerige roofdieren.

Ik sta me altijd plaatsvervangend te schamen als ik een groep buitenlandse reizigers vermoeid zie aanspoelen bij het CS. Dit is hun eerste indruk van Amsterdam: chauffeurs die langs je heenkijken of vage gebaren naar verderop maken. Misschien, klein voordeel, zijn er daarom in Amsterdam wel zo weinig aanslagen: ook als terrorist kun je geen taxi krijgen.

Dit duurt nu al zo’n kleine tien jaar. Af en toe zijn er korte oplevingen. Dan wordt een toestand van verhoogde waakzaamheid afgekondigd, je ziet op de standplaatsen opeens een batterij ‘toezichthouders’ in kleurige hesjes en zowaar ook een paar politieagenten. (‘Toezichthouders’ zijn mensen die het werk doen waar de politie geen zin in heeft.) Opeens gaat alles goed, de rust is teruggekeerd, we zijn allemaal tevreden.

Dit duurt hooguit een week of zes. Daarna keert de verloedering langzaam terug, als de uitzaaiing van een verwijderd gezwel. Er staan opeens weer minder ‘toezichthouders’ en die paar dikgebilde politieagenten flitsen er nu op hun sexy mountainbikejes langs. ’s Nachts gaan ze trouwens slapen. Dit is de fase waar de Marokkaanse lieverdjes onder de chauffeurs geduldig op gewacht hebben: ha, hier zijn we weer.

Ook nu hoor ik de autoriteiten de vertrouwde mantra opdreunen: meer ‘toezichthouders’, meer politie et cetera. Ze zijn geschrokken, want er is een dooie gevallen. Ze beginnen elkaar zelfs de schuld te geven: Job Cohen wil de bevoegdheid om vergunningen af te pakken, Tineke Huizinga vindt dat hij meer aan handhaving moet doen. Het is lastig, ik geef het toe, maar nog altijd kan ik moeilijk aannemen dat het probleem een Midden-Oostenachtige onoplosbaarheid heeft. Als Balkenende nou eens een middagje met Job en Tineke (Huizinga dus, in godesnaam niet Netelenbos die de taximarkt ooit vrijgaf) om de tafel gaat zitten. Ze analyseren alle pijnpunten, formuleren een oplossing en maken waterdichte afspraken. Tineke past de wet aan, Job verstrekt alleen aan hoofdcommissaris Bernard Welten een mountainbike – de rest moet lopen en staan, onder meer bij het Leidseplein en het Centraal Station. Amsterdam is opeens een echte wereldstad, niet te geloven.