VN: extreme armoede groter dan voorzien

De financiële crisis en sterk gestegen voedselprijzen dreigen de vooruitgang die deze eeuw is geboekt in de strijd tegen armoede en honger, grotendeels teniet te doen. De Verenigde Naties maken dat vandaag in Genève bekend bij de presentatie van het Millennium Development Goals Report 2009 . In dit rapport wordt de voortgang bij de ontwikkeling van arme landen in kaart gebracht.

Op een speciale millenniumtop spraken de lidstaten van de Verenigde Naties negen jaar geleden af om armoede en honger vóór het jaar 2015 te halveren, vergeleken met 1990. Tussen 1990 en 2006 liep het ondervoede deel van de wereldbevolking terug van 20 tot 16 procent. Maar het percentage loopt weer op.

Ontwikkeling van de armoede volgt eenzelfde patroon. Tussen 1990 en 2005 daalde het aantal mensen dat moet rondkomen van minder dan 1,25 dollar per dag van 1,8 naar 1,4 miljard. Hun aantal loopt niet verder terug en zal waarschijnlijk weer stijgen. Volgens de VN is het aantal mensen dat in extreme armoede leeft dit jaar tussen de 55 en 90 miljoen hoger dan voor de crisis was voorzien.

Zoals het er nu uitziet, worden ook de meeste andere doelen die de lidstaten zich negen jaar geleden op de millenniumtop stelden niet gehaald. Daarbij gaat het onder andere om het verminderen van kindersterfte met tweederde en het terugdringen van moeders die tijdens de bevalling overlijden met driekwart.

VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon doet in het rapport een dringend beroep op rijke landen om genoeg ontwikkelingsgeld beschikbaar te stellen. „We mogen niet toestaan dat het ongunstige economische klimaat ons belet om ons aan de afspraken te houden. De wereldgemeenschap kan de armen en kwetsbaren niet de rug toekeren.”

Het rapport constateert dat ontwikkelingshulp sterk achterblijft bij de beloftes. Vorig jaar bedroeg die hulp nog het recordbedrag van 119,8 miljard dollar waarvan de Europese Unie 70,2 miljard dollar voor haar rekening nam. Dat is 0,3 procent van het nationaal inkomen van de rijke landen. In 1970 beloofden ze dat ze 0,7 procent van hun nationaal inkomen aan ontwikkelingshulp zouden besteden. Die belofte hebben ze daarna nog vaak herhaald maar alleen Nederland, Denemarken, Luxemburg en Zweden houden zich daaraan.