Partijen en leiders

Een halve eeuw geleden had de Katholieke Volkspartij (KVP) meer leden dan alle politieke partijen nu samen. Medio jaren vijftig kon de KVP bogen op circa 400.000 partijgenoten. Hoewel die niet allemaal van zichzelf wisten dat ze lid waren – soms waren ze ingeschreven door de pastoor, de woningcorporatie of een andere organisatie van de katholieke zuil – vormden ze de basis voor een maatschappelijk verankerde politieke vereniging. De negen min of meer traditionele partijen in de huidige Tweede Kamer hebben ongeveer 300.000 leden. De PVV en TON dragen aan dat aantal niet bij, omdat ze geen leden willen hebben.

Dit verval is uiting van de gestage ontworteling van de klassieke volkspartijen. Langzaam komt nu het einde in zicht van een organisatievorm die was geïnspireerd op het ‘gründliche’ Duitse partijmodel en in Nederland dankzij de verzuiling kon aarden. Een politieke cultuur waarin niet partijen, maar leiders de burger proberen te mobiliseren, komt meer en meer in zicht.

Mede daarom regent het ideeën en ideetjes om de politieke partijen een steuntje in de rug te geven. Een democratisch staatsbestel lijkt immers niet te kunnen functioneren zonder organisaties die burgers verenigen en vervolgens ook selecteren voor publieke taken. Twee PvdA’ers, staatssecretaris Dijksma (Onderwijs) en minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken), hebben afgelopen donderdag de laatste twee voorstellen gedaan.

Volgens een interne werkgroep, die de nederlaag van de PvdA bij de Europese verkiezingen onder leiding van Dijksma heeft geanalyseerd, moet de partij haar lijsttrekker anders gaan aanwijzen. De beslissingen over het verkiezingsprogramma en de kandidaten moeten niet meer los van elkaar worden genomen en ook niet meer exclusief door de leden. Naar Amerikaans voorbeeld zou de PvdA primaries onder haar kiezers moeten organiseren, waarbij kandidaten met hun eigen programma steun moeten verwerven. Hoe Dijksma zich die voorverkiezingen voorstelt, is onduidelijk. De stembus is geheim. Ze weet dus niet wie de kiezers zijn. En anders dan in de VS hoeven burgers in Nederland zich niet van tevoren in te schrijven om gebruik te maken van hun kiesrecht. Primaries kunnen dan ook makkelijk een prooi worden voor al dan niet verstorende internetcampagnes. Maar de PvdA moet zelf weten of ze dat risico wil lopen.

Minister Ter Horst werkt aan een wetsvoorstel om ook politieke partijen zonder leden te financieren. Dat zou ertoe leiden dat PVV en TON, op grond van hun zeteltal in de Tweede Kamer, aanspraak kunnen maken op subsidie. Nu krijgen alleen partijen subsidie die in het parlement zijn vertegenwoordigd en ook nog eens duizend leden hebben. Die laatste clausule was bedoeld om continuïteit te stimuleren, maar is onrechtvaardig geworden. Ter Horst onderkent dat.

Beide ideeën raken de kern van de positie van de politieke partij in het bestel. Personen worden belangrijker.

De negentiende-eeuwse kiesvereniging keert zo, in andere gedaante, terug. Dat is de nieuwe maatschappelijke realiteit.