Ik ben nog in de ether? Dan ga ik even door

Twee auteurs verkennen Nederland bij nacht.

Vandaag deel 1: op bezoek bij radioprogramma De Nachtdienst.

Radioprogramma De Nachtdienst. Foto David Galjaard en Christian van der Kooy Galjaard, David;Kooy, Christian van der

In het videocentrum, een gebouw in een uithoek van het mediacentrum te Hilversum, was het op zaterdagnacht vooral rustig.

Ergens achterin, tussen bureaus vol kranten, zat een verdwaalde nieuwslezer, zijn hoofd in de Spits. Hij wees de weg naar de studio, waar het Avro-radioprogramma De Nachtdienst werd opgenomen.

Ik maakte kennis met twee mannen van middelbare leeftijd: regisseur Peter Belt en geluidstechnicus Anne. Achter glas zat presentator Johan Doesburg. Hij stak zijn duim op.

„Pils?”, vroeg Peter.

Ja, pils.

Als ik wilde mocht ik ook uit zijn zak Japanse nootjes eten.

We babbelden wat over het programma. Dat De Nachtdienst al 25 jaar werd uitgezonden in de nacht van zaterdag op zondag, dat vaste presentator Martijn Rosdorff overspannen was ‘omdat-ie zich over de pis heeft gewerkt’, dat dit het enige programma was waarin verhalen van luisteraars centraal stonden en dat er geen taboes waren.

Het thema van de nacht was ‘verlangen’.

Verder was hij grieperig. Om de paar minuten greep hij een tissue uit de papieren berg naast zijn telefoon en snoot zijn neus.

Presentator Johan Doesburg had een warme stem en een luisterend oor. Hij zag er doodgewoon uit: spijkerbroek, blauwe blouse en de haren netjes gekamd.

Hij was druk in gesprek met Hanna. Hanna had de stem van een fervent rookster.

Ze piepte en kraakte en zei dat ze heel wat had te stellen met al die getrouwde mannen en hun verborgen sm-verlangens. Ze gebruikte vaak een zweep.

„Dat haal ik schijnbaar naar boven.”

Peter Belt snoot zijn neus en boog naar de microfoon, waarmee hij contact kon maken met een van Johans’ oren.

„Details graag.”

Johan begreep de hint.

„Die hadden we even voor je onder de knop gehouden”, zei Peter Belt nadat Hanna had opgehangen. „Dan kom je er meteen lekker in.”

Geluidstechnicus Anne schudde zijn hoofd. „We hebben nu Corrie, die is ook lekker bezig. Ze wil dat we klei gaan eten.”

We luisterden naar Corrie.

„Zand, zeep en soda zuiveren de ziel...” Ze had een tip voor een eerdere beller. „Laat die mevrouw, die last heeft van haar maag, dagelijks een handje rozijnen nemen. Dat helpt.”

„Maar verder: iedereen aan de klei dus”, zei Johan.

„Aan de groene klei. We hebben op aarde vier soorten klei. Groene klei is de beste (...)”

„Ik voel een zekere afstand ontstaan, Corrie”, zei Johan nadat Corrie het spreekwoord ‘Zand schuurt de maag’ had uitgelegd. „Maar dat is De Nachtdienst. Alles kan en mag voorbijkomen. We hebben het vannacht al over sm gehad en nu gaat het over klei. Blijft u vooral bellen naar 08001121. Of mail uw verlangen naar denachtdienst@avro.nl.”

Op het damestoilet – de enige plek in het videocentrum waar je ongestoord kon roken – sprak Peter over ‘de bellers’. Daar zat van alles tussen.

Feestgangers.

Nachtwerkers.

Eenzame mensen.

„En aandachtjunks”, zei Peter, nadat hij zijn sigaret in een wc-pot had gegooid. Er waren ook bellers die altijd belden.

Soms onder verschillende namen.

„Ik vraag mensen weleens om even twee weken pauze te nemen. Dan hebben we ze te vaak gehad. Alles kan, maar dronken mensen en te rechts-populistische meningen, filter ik eruit.”

Hij vond het prachtig, al die verhalen. Soms ook verbijsterend.

„We hadden een beller, meneer Sonneveld, die gooide z’n hele hebben en houen op de radio. Als z’n kinderen op zijn begrafenis zouden komen, zou hij uit zijn graf opstaan om ze te verjagen. Dat soort dingen. Ik vond dat nogal wat. Het is ook een schreeuw om aandacht. En wij luisteren.”

We liepen terug naar de studio.

Op Peters’ telefoon gloeiden vijf knoppen. Peter pakte de hoorn en drukte de knoppen een voor een in.

„De Nachtdienst, ogenblikje.”

„De Nachtdienst, ogenblikje.”

„De Nachtdienst, ogenblikje.”

„De Nachtdienst, ogenblikje.”

„De Nachtdienst, ogenblikje.”

Daarna tegen Anne: „Wie hebben we nu?”

Anne, met een zucht: „Rob.”

Rob zat in een verhaal over de samenleving.

„Stel iemand staat bij de bushalte en laat z’n sleutels vallen... Ik raap ze op en geef ze aan die man. Is dat dan oké, Johan?”

„Euh, ja”, zei Johan. „Waar wil je naartoe Rob?”

„Wat denk je dat er gebeurt als ik de kauwgom, die hij heeft uitgespuugd, of z’n vieze frietbakje terug kom brengen? Ik denk dat ik dan een helmpje op moet zetten, Johan. Dan krijg ik een klap voor m’n kop! Loop maar eens door een binnenstad. Het is er een rommeltje, Johan.”

„Ben je niet een beetje somber, Rob?”

„Zal ik voor de lol eens drie woorden zeggen, waarvan ik zeker weet dat jullie ze niet durven uit te zenden? Dan krijg ik een ban, echt waar.

Ik zeg: 11 september

Ik zeg: complot

Ik zeg: Bilderbergconferentie

En nu blijft het zeker stil?”

„We zijn er nog, Rob.”

„Dus ik ben nog in de ether? Dan ga ik nog even door. Als er werkelijk mensen op de maan zijn geweest, waarom is er dan veertig jaar na dato nog geen plan B? Mijn verlangen is dat de journalistiek dat soort zaken oppakt! Want ik ben niet de enige, die met vragen zit! En de Avro mag zich dit ook aantrekken, want jullie lopen bepaald niet voorop. Echt niet, Johan.”

Peter sprak in zijn microfoon: „Afronden. Alsjeblieft.”

„Het zijn duivelse dilemma’s, Rob”, zei Johan. „Fijn dat je jouw verlangen met ons wilde delen. We hebben een nieuwe beller.”

En zo verstreken de uren.

Met meneer Ooms, een invalide ex-militair met ‘een dubbel posttraumatisch stresssyndroom’ en nog vier andere slepende ziektes, waarvan leukemie de ergste was, vond dat er meer aandacht moest zijn voor ‘Koude-Oorlog-veteranen’. „Die hebben bij extreme temperaturen jarenlang voor Jan met de korte achternaam in schuttersputjes bij Seedorf gelegen.”

Met Aad, met een ex-minnaar van Robert Long en met een mevrouw die hevig terugverlangde naar ‘koude winters’, maar na een monoloog van tien minuten verzuchtte: „Laat maar, vroeger komt toch nooit meer terug.”

Om 4.00 was er ‘de wissel’.

Presentatrice Astrid de Jong kwam Johan Doesburg aflossen. Ze had een gezellig gezicht, droeg een zwarte rok en had een eigen thema meegenomen: ‘het weer’.

Astrid was goed in oeverloos kwebbelen. Zo goed, dat je haast hoopte dat je haar niet in het wild zou tegen komen. Maar tussen vier en zes uur ’s ochtends, een blok met weinig bellers, was Astrid ideaal.

„U had ook nog een tip?”

„Jazeker! Gooi als het onweert witte rijst richting de bliksem. Dan stopt het.”

„Een pak? Of gewoon losse rijst?”

„Ik heb het alleen met losse rijst geprobeerd.”