Gescheiden inburgeren, graag

De Kamer wil een einde aan aparte inburgeringsklassen voor mannen en vrouwen. Dat gescheiden klassen veel effectiever zijn, is kennelijk onbelangrijk, betoogt Rogier van ’t Rood.

(Illustratie Bas van der Schot) Schot, Bas van der

Minister Van der Laan (PvdA, Integratie) wil dat gemeenten per 1 januari geen gescheiden inburgeringscursussen meer aanbieden. Hij wacht de uitkomsten van een onderzoek daarnaar niet af en geeft daarmee toe aan een Kamermeerderheid die afwil van „sekse-apartheid”. Deze omslag getuigt van gebrek aan kennis van zaken.

Van der Laans argumenten maken het allemaal nog erger. Gescheiden inburgering ligt gevoelig in de Kamer. Daarnaast zouden gescheiden inburgeringsklassen het maatschappelijk draagvlak onder inburgering ondermijnen. En ten slotte twijfelt Van der Laan eraan of er inderdaad veel vrouwen wegblijven bij gemengde cursussen. Dit laatste zonder te beschikken over harde cijfers: hij baseert zich op zijn eigen indruk. Hij wil een onderzoek niet eens afwachten. Met deze onbezonnen flinkheid ondermijnt hij de effectiviteit van inburgering.

Het basisidee is dat mannen en vrouwen in Nederland gelijkwaardig zijn en gelijke rechten hebben. En vervolgens dat inburgering bijdraagt aan het naleven hiervan. Dat is uitstekend, want inburgering gaat immers niet om taal alleen. Maar gelijkwaardigheid bereik je juist niet door gemengde groepen af te dwingen.

Ik kom voor mijn werk nogal eens over de grens. In Kenia is het tamelijk gebruikelijk dat mannen hun echtgenotes slaan. (Dat geldt overigens niet alleen voor Kenia.) Een door een Nederlandse donor ondersteunde lokale organisatie ontwikkelde een cursus voor volwassenen om basisscholing te bieden en om huiselijk geweld tegen te gaan, geweld dat voortkomt uit het idee dat de vrouw onderhorig is aan de man. Het resultaat was, dat echtparen veel vriendschappelijker en dus gelijkwaardiger met elkaar omgingen en dat er (bijna) niet meer werd geslagen.

Dit resultaat werd geboekt in gescheiden groepen, want alleen onder seksegenoten voelden vrouwen zich voldoende veilig om hun problemen te bespreken en oplossingsstrategieën te ontwikkelen. Daarbij kwam ook seksueel geweld veelvuldig aan de orde. Het behoeft geen verder betoog dat je dat niet openlijk bespreekt met mannen erbij. De oplossingen werden gevonden in de wijze van communiceren, volgens het idee ‘wie niet sterk is moet slim zijn’. Ook de door mij geïnterviewde mannen gaven zelf aan dat ze erg blij waren met de resultaten. Er was nu thuis veel meer vrede. In de vele niet-westerse landen die ik heb bezocht, zie ik in gemengde groepen altijd dat de vrouwen hun mond houden en dat de mannen het hoogste woord voeren.

Het tweede voorbeeld komt van dichtbij huis. Veel mensen van boven de vijftig zullen nog weten dat de huidige gelijkheid en vooral gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen is afgedwongen door de tweede feministische golf van de jaren zestig en zeventig. Dat is nog niet erg lang geleden. Die verworvenheden komen beslist niet voort uit gemengde praatgroepen. Het lukte juist omdat vrouwen zichzelf organiseerden en hun problemen en oplossingsmogelijkheden bespraken. Dat was niet gelukt met mannen erbij.

Vooruit, nog een metafoor voor wie het argument nog niet duidelijk genoeg is: in Nederland vinden we het belangrijk dat iedereen kan zwemmen. Maar dan gooien we toch niet iedereen zomaar meteen in het diepe onder het uitroepen van ‘zwem!’. Bij veel inburgeraars, zowel mannen als vrouwen, is het gelijkheidsbeginsel volledig vreemd. Als het er bij inburgering om gaat dat inburgeraars, veelal van niet-westerse komaf, zich een werkelijk inzicht verwerven in het basisprincipe van gelijkheid tussen man en vrouw, dan helpt het niet om ze vanaf het begin bij elkaar te zetten en daarmee te zeggen: jullie zijn gelijk. Dan gaan ze juist kopje onder en bereik je feitelijk niets. Aan zo’n inzicht gaat namelijk een bewustwordingsproces vooraf. En bewustwording vindt alleen plaats in een veilige setting. Een gemengde groep is voor veel vrouwen niet veilig.

Of je het nu leuk vindt of niet en of het nu ideologisch gezien ongewenst is of niet, alleen een pragmatische opstelling helpt de inburgeraars en daarmee de samenleving. Iedere onderwijsprofessional weet dat het bij leren gaat om kennis, vaardigheden en houdingen. Kennis overdragen is niet zo moeilijk. Maar voor vaardigheden en houdingen is veel meer nodig. Inzichten daarover zijn binnen Nederland nog steeds aanwezig, en wie bereid is over de grens te kijken, kan nog veel meer opsteken over effectief leren.

Het is te hopen dat de minister zich bezint en dat hij alleen op basis van feiten zijn beleid uitstippelt. En niet op basis van meningen en indrukken, want dat leidt tot heilloos populisme.

Dr. Rogier van ’t Rood is docent internationale pedagogische vraagstukken aan de Universiteit Utrecht.