Bavianen als een buffel

In uitdrukkingen voor ‘hard werken’ duiken nogal wat lastdieren op. Meestal inheemse maar soms ook exotische dieren.

Niet dat de aanleiding er veel toe doet, maar ik ben momenteel kneitehard aan het werk met het een of ander, en zo kwam ik er op. Ik mailde iemand: „Ik ben enorm aan buffelen”, waarop hij antwoordde: „Sterkte met het beesten.” In het mailtje daarop ging het over hengsten en na enig nadenken kwam ik vervolgens op ezelen, dat ook voor ‘hard werken’ wordt gebruikt.

Hadden we daarmee dieruitdrukkingen voor ‘hard werken’ gehad? Nee, want je hebt ook nog werken als een molenpaard en werken als een karrenpaard.

Even terzijde: zoals u weet moeten we sinds de laatste spellingherziening op allerlei plaatsen een tussen-n schrijven. Dat stoort mij vrijwel nooit, maar bij karrenpaard vind ik het toch opeens heel vreemd staan. Alle argumenten gaan mank, maar ik vind karrepaard veel beter passen. Als jonge jongen hielp ik de melkboer weleens – een man die met kar en paard en grote melkbussen langs de huizen kwam. Het is even geleden, jaren zestig, maar ik kan me goed herinneren dat zijn paard soms zweette als een rund – vergeef me de vergelijking.

Terug naar de dieruitdrukkingen voor ‘bikkelen, ploeteren, beulen’. Dat molenpaard, het karrepaard, die ezel en die hengst zie je zo rondstampen in de Nederlandse klei. Bij buffel denk ik meteen aan Afrika en Noord-Amerika, maar volgens onze naslagwerken wordt buffel gebruikt als ‘algemene term voor zwaar gebouwde runderen, zonder systematische betekenis’.

Buffelen voor ‘hard werken’ blijkt geen inheems woord te zijn. We hebben het halverwege de negentiende eeuw uit het Duits overgenomen, waar büffeln wordt gebruikt voor ‘blokken, zwoegen’, samen met ochsen trouwens (‘ossen’ dus).

Bij al deze dieruitdrukkingen voor ‘ploeteren’ gaat het om lastdieren, behalve bij de baviaan. Waar komt dat woord dan vandaan? Uit het Bargoens.

Het werkwoord bavianen is in 1906 voor het eerst aangetroffen, in De Boeventaal, een Bargoens zakwoordenboekje dat is samengesteld door de Amsterdamse commissaris W.L.H. Köster Henke. Köster Henke geeft als verklaring ‘hard werken, in ’t bijzonder kolentremmen op een grote boot’. Als voorbeeldzin vermeldt hij: „Hoe hard moest ik niet bavianen toen ik op die job was.” Job blijkt hier overigens niet het Engelse woord voor ‘baan’, maar het Bargoense woord voor ‘schip, schuit, stoomboot’. Kennelijk is bavianen dus onder zeelui of havenarbeiders ontstaan.

We komen bavianen overigens niet alleen tegen in de betekenis ‘hard werken’, maar ook voor ‘zwaar roken, grote rookwolken uitblazen’ (roken als een baviaan), voor ‘vluchten’ en voor ‘(nerveus) heen en weer lopen, zwalken’. In die laatste betekenis vinden we het onder meer in De roerige wereld van Pistolen Paul, een lange monoloog van Paul Wilking, alias ‘Pistolen Paultje’, in 1968 opgetekend door Martin van Amerongen. „Een rechter”, zo vertelde Wilking, „is een mens als jij en ik, een officier van justitie is een mens als jij en ik en een advocaat is een mens als jij en ik. Ik heb de heren advocaten hier wel eens als een kut zo dronken over het Leidseplein zien bavianen.”

Bavianen voor ‘(nerveus) heen en weer lopen’ is weleens gedefinieerd als ‘ijsberen’, maar met zo’n definitie begeef je je op glad ijs, want voor je het weet heb je het dan over buffelende hengsten, bavianende buffels en zo verder.