Waddenzeebeleid onder vigerende wetgeving

Het hoofdredactioneel commentaar over de Waddenzee (NRC Handelsblad, 29 juni) slaat op een aantal punten de plank mis. De uitverkiezing tot Unesco Werelderfgoed is inderdaad bijzonder, en de reacties van bewindslieden dat economische activiteiten onverdroten zullen doorgaan, zijn zeker platvloers. Maar om dan zowat alle nieuwe inzichten in het beheer van de Waddenzee terzijde te schuiven voor een litanie tegen niet bestaande bedreigingen, gaat de rede voorbij.

De mosselzaadvisserij is inderdaad een probleem als er geen grenzen zijn gesteld, en als de mosselmannen blijven volharden in de bodemvisserij. Maar dat is niet het geval. Het komend convenant tussen mosselsector en natuurbescherming voorziet in een vervanging door hangculturen, die geen nadelige effecten op de natuur hebben.

Er wordt vervolgens gewaarschuwd voor binnenkort ”te beginnen gaswinning” die nu niet meer zou passen. De realiteit is dat er al 25 jaar waddengas wordt geproduceerd, en dat er geen schadelijke effecten zijn waargenomen. Wellicht wordt gedacht dat het Waddenakkoord van 2004, waarbinnen gaswinning wordt toegestaan, pas nu wordt geëffectueerd? Die productie begon echter al in januari 2007.

Werelderfgoed of niet, het Waddenzeebeleid blijft gewoon vallen onder de vigerende wetgeving, en met name de Vogel- en Habitatrichtlijn. Overheden gaan daar nogal dommig mee om. Daarom eindigen plannen voor havenuitbreiding, kwelderherstel, visserij, industrie, recreatie en energie steevast voor de bestuursrechter. In die wankele situatie wordt een permanente oorlog gevoerd waarvan de natuur niet beter wordt, en waarvan de economie van het noorden de lasten moet dragen.

Maar het mossel- en het gasakkoord zijn nu juist voorbeelden van een evenwichtige ontsnapping aan deze richtingenstrijd tussen fundi`s en realo`s. Het Unescolabel geeft geen enkele aanleiding om die derde weg in te ruimen voor nieuw fundamentalisme.

    • Wouter van Dieren Terschelling
    • Directeur Milieuadviesbureau Imsa