Thomas

Hij was twintig en eerstejaarsprof bij Rabo. We spraken elkaar in een flatje in de Belgische grensgemeente Lanaken, waar hij bivakkeerde met Niels Scheuneman en Bas Giling. Thomas was de onmiskenbare kopman van het kluizenaarstrio: Bas mocht de was doen, Niels het patatje halen. Over zijn toekomst zei hij quasi retorisch: ,,Waarom zou ik moeten knechten.”

De volbloed-estheet Thomas Dekker.

Hij zou niet lang in Lanaken blijven hangen, beloofde hij zichzelf. Hij wilde naar Italië, naar mooi weer en mooie mensen. In Sanremo over de Via Roma flitsen, dat werk. Dat mocht ook van zijn ouders. Zij hadden hem altijd voorgehouden: leef je plezier. ,,Dat zeiden ze ook tegen mijn zus Floortje: alles is goed, als je maar lol hebt in het leven.”

Lieve ouders, dus.

Maart 2005. De snotaap Thomas Dekker verbluft de wielerwereld in het Critérium International. Hij wint een bergrit vóór Bobby Julich, Jörg Jaksche en Ivan Basso. Toenmalig Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc riep euforisch: ,,Dekker is de toekomst van het internationale wielrennen.” In die dagen hoorde de twintigjarige Noord-Hollander niet anders, met name ook in de Nederlandse pers. Natuurlijk zou hij de Tour winnen, en met meer panache dan Joop Zoetemelk. De ene na de andere klassieker zou hem als rijpe vrucht in de schoot vallen. En Miguel Indurain zou nog raar opkijken van zijn fenomenale chrono’s tegen de klok.

Over Thomas Dekker werd de toekomst afgeroepen nog voor ze goed en wel begonnen was. Je zal dan maar uit Dirkshorn komen, zoon van een vader die in de bagage bij KLM werkt. Ook nog jarenlang een iel jongetje geweest, onopvallend in dorp en klas. Tot ineens de groei erin schoot en hij een echt lichaam kreeg. Een lichaam met een grote motor, zou later blijken. Een kampioenslijf. En dus: nog vóór het eerste meisje alreeds volksbezit. Alain Delon in de polder, met klikpedaal.

Dat ondraaglijke juk.

Allicht sta je dan vroeg of laat voor de keuze: Jomanda of sportarts Luigi Cecchini. Ramses Shaffy had ook gekund. Als er maar een houvast is, een mentaal anker, een oponthoud in glorie en verderf. Of toch een steiger waaraan je leegte van voortijdige roem bij kunt tanken. Een wielerploeg met mensenkennis heeft dat direct in de gaten. Zij heeft ook de mensen in huis voor balsem op de open wond van succes.

Zo niet Rabobank.

Naar buiten toe een volks bidprentje, maar intern een stilettogezelschap. Schraler in sociale antennes kom je ze in de Tour niet tegen. Vandaag al helemaal niet, met Harold Knebel als directeur van de wielerploeg. Gooi Knebel een mens toe en je krijgt gesneden brood terug. Zelfs Raboveteraan Oscar Freire voelt zich verweesd en miskend in de Nederlandse wielerfomatie. Of neem ploegarts Geert Leinders: zijn ontslag is niets minder dan een sociale banvloek over Rabobank. Leinders heeft nog het ongeleide projectiel Jan Raas meegemaakt, maar toen was er tenminste levensvreugde. En gezellige nonchalance. Vandaag bestaat het zadel van Rabobank uit rancune en sluipmoord. De renners die blijven, doen het voor het mooie geld, niet uit liefde. Een boerenkinkel als Bram Tankink wil graag levenslang tekenen – wat zou het leven anders zijn dan geld, weiland, veestapel en gierkarren? Bram Tankink: huifkar als doodsbed.

Maar er zijn in het peloton ook discotypes. Thomas Dekker was er zo een. Uit Porsche gesneden, als het ware. De gelijnde mond als een gitaarsolo van Eric Clapton. Flaneerkunst tot in de haren. Frêle enkeltjes vol iPod en video. Cult. Daar weten ze bij Rabobank geen raad mee. De breuk tussen Dekker en Rabo was derhalve een rubriek van aangekondigde afbladdering.

Een verhaal van spuug.

Zeker, Thomas was eigengereid en vaak onhandelbaar. Enige experimenteerzucht was hem niet vreemd. Hij was vooral wereldser dan zijn broodheren, en dus ook kwetsbaarder voor de verlokkingen van de grote wereld. Voor duisternis. Maar epo is niet van hem alleen, epo is ook van de grootste Nederlandse wielerploeg. Die nu niet meer wil weten van Dekker, Rasmussen, Kohl en Australiërs – wel een ploegleider weggejaagd.

Thomas zei me: ,,In Parijs-Nice voelde ik me niet goed. Geen macht in de benen. Dan breekt er iets. Ik had altijd gehoord: om slappe benen moet je heenfietsen.”

Je hoort het Erik Dekker en Erik Breukink zo zeggen. Alleen: de bocht van Thomas was iets groter, oprechter ook. Net iets te weids voor de hypocrisie van het bacchanaal Tour de France.

    • Hugo Camps