Privatus verlaat India zodra hij kan

India klaagt over discriminatie van Indiase studenten in Australië. Maar ook in New Delhi zelf geldt: hoe blanker hoe gastvrijer je wordt onthaald.

Privatus (22) uit Tanzania mist zijn familie en zijn vrienden. Nog twee jaar studeren en dan is hij doctorandus in de economie. Dan stapt hij op het eerste het beste vliegtuig terug naar huis.

Geen misverstand, Privatus is een man, geen watje, zegt hij. Hij heeft een motorfiets die nu even kapot is, maar waarmee hij straks weer door New Delhi zal rijden. Hij heeft vrienden in het appartement voor buitenlandse studenten aan de Universiteit van Delhi waar hij woont. En hij heeft ook een paar Indiase vrienden met wie hij goed kan opschieten. Toch: soms is het niet gemakkelijk om een vreemde te zijn in India, vooral niet als je uit Afrika komt.

‘Kalu’ is hindi voor ‘zwarte’, begreep Privatus al snel toen hij vorig jaar in Delhi kwam. Het gebeurt nog geregeld. „Mensen staren me aan, zonder iets te zeggen. Je hoort ze alleen ‘kalu’ fluisteren”, zegt hij. „Soms kijkt een groepje studenten in mijn richting en moeten ze lachen.” Dat is niet prettig, zegt Privatus. Daar raak je nooit aan gewend. Je kunt er alleen mee leren leven. „Ik red me wel”, zegt hij. „Over het algemeen word ik goed behandeld en voel ik me op mijn gemak.”

Privatus’ observaties hebben actualiteitswaarde gekregen in India nu grote ophef is ontstaan over racistische aanvallen op Indiase studenten in Australië. Die aanvallen worden – vanzelfsprekend – unaniem veroordeeld, de Australische regering wordt gevraagd in te grijpen. Maar sommige commentatoren wijzen ook voorzichtig op discriminerend gedrag in eigen land.

Voorbeelden daarvan zijn niet moeilijk te vinden. India is immers het land van de kasten, waar, hoewel formeel verboden, kastenlozen (dalits) nog vaak als minderwaardige burgers worden behandeld. In sommige dorpen werden dalits afgelopen mei, toen er parlementsverkiezingen waren, geweerd bij de stembus.

Maar niet alleen dalits zijn slachtoffer. In Mumbai worden geregeld ‘gastarbeiders’ uit de arme deelstaat Bihar aangevallen. Die pikken onze banen in, is het motief. Ook moslims zijn vaak doelwit, in ‘haattoespraken’ van extreem-rechtse politici. En de eerste minister van Mizoram, een deelstaat die grenst aan Birma, zei onlangs op een congres dat hij in eigen land vaak te horen krijgt helemaal niet op een Indiër te lijken.

Ook in de oude volkswijk Pahar Ganj in New Delhi, met zijn vele goedkope hotelletjes en guesthouses een geliefkoosde verblijfplaats voor buitenlandse rugzaktoeristen, worden scheidslijnen getrokken. „Iedereen is welkom”, zegt de manager van het Amar Guesthouse, tegenover de Krishna-markt, waar een boom door de voorgevel groeit. Voor hem maakt het niet uit waar de toeristen vandaan komen, uit Europa, Amerika, Israël, Afrika of Azië , zegt hij. Ook jongelui en zakenmensen uit India zelf kunnen bij hem terecht.

Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet, blijkt uit navraag bij andere hotels. Raju (24) van Guesthouse Scot, zegt dat hij liever geen klanten uit Afrika heeft, niet omdat hij iets tegen hun huidskleur heeft, maar omdat de ervaring leert dat ze voor problemen zorgen. Sommigen drinken te veel, gebruiken drugs en onenigheid over zaken loopt al snel uit op vechtpartijen, zegt hij.

De manager van een gasthouse in een zijsteegje zegt dat hij liever geen moslims uit Pakistan of Bangladesh heeft. En liever ook geen alleenstaande jongemannen uit India zelf. „Sommigen komen hier om het aan te leggen met westerse meisjes.” De manager van Hare Rama noemt nog een andere redenen waarom Indiase toeristen niet bovenaan zijn verlanglijstje staan: ze zijn veeleisender dan buitenlandse toeristen, klagen eerder en commanderen sneller.

Privatus uit Tanzania is geen klager en ook niet iemand die veel te commanderen heeft. Hij zegt: „In India word ik soms vreemd aangekeken door mijn zwarte huidskleur. Maar dat geldt niet alleen voor India. Is het niet zo dat zwarte mensen overal problemen ondervinden? Ook in Europa, ook in de Verenigde Staten?”

Samen met een vriend kijkt hij televisie, in de verder verlaten hal van zijn studentenhuis. Binnenkort is de vakantie voorbij en kan hij zich weer aan zijn studie wijden. „Nog twee jaar, dan ben ik klaar. Dat weet ik zeker”, zegt hij.