Politiek zelfrespect

Vicevoorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State is niet bang voor stichtelijke praat. Maar in zijn laatste jaarverslag klonk meer bezorgdheid door dan normaal. „In de huidige crisis is niet alleen en misschien zelfs niet in de eerste plaats van belang hoe sterk de economie is, maar hoe sterk de democratische rechtsorde is in Nederland en in Europa”, aldus de vicevoorzitter van dit hoge college van staat.

De volksvertegenwoordiging, sinds gisteren met reces, kan daar nu twee maanden over nadenken. Want afgelopen jaar heeft de Tweede Kamer er weinig tijd voor genomen. Zelfs haar ‘reflectiedag’ dit voorjaar werd overschaduwd door het herschreven regeerakkoord dat de drie coalitiepartijen op dezelfde 25ste maart presenteerden.

Hoofdzaken en bijverschijnselen van de recessie – redding van ABN-Amro, nieuwe begrotingsdiscipline, bonussen voor gemankeerde bankiers en salarissen in het publieke domein – domineerden onvermijdelijk en terecht de agenda. Daarnaast ging het over incidenten, zoals minister Vogelaar die binnenskamers door de top van de PvdA werd uitgerangeerd, en de rol van de staat na de Catshuisbrand.

Maar de Kamer liet zich vooral leiden door de laatste krantenkoppen die in talloze spoeddebatten tot de agenda doordrongen, hoewel de meerderheid hierbij haar meerdere moet erkennen in de meester van dit genre: Wilders. Zijn motie op ‘verantwoordingsdag’, eind mei, was een treffend voorbeeld dat hij het parlement primair ziet als een tribune. De tekst – een der poverste moties ooit – luidde: „De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende, dat het kabinet geen flauw benul heeft van wat er leeft onder de bevolking; verzoekt het kabinet op te stappen en nieuwe verkiezingen uit te schrijven, en gaat over tot de orde van de dag”.

Die aanpak werkt, getuige zijn succes bij de Europese verkiezingen. De drie traditionele volkspartijen haalden toen samen nog geen 44 procent van de stemmen. Bij de Kamerverkiezingen van 2006 kwamen CDA, PvdA en VVD samen boven de 62 procent uit.

De regeringspartijen weten zich er geen raad mee. Met de ministers Donner (CDA) en Van der Laan (PvdA) als vooruitgeschoven posten, gaan ze nu over tot de aanval, een houding die oppositiepartij D66 met succes etaleert. Maar achter de nieuwe polarisatie gaat groeiende onzekerheid schuil.

De coalitiepartijen voelen dat er een zware straf staat op een kabinetsbreuk, maar weten ook dat ze alle vooroordelen over ‘de’ politiek voeden als ze elkaar krampachtig vasthouden. Dat leidt tot wanhoop over het wantrouwen van de burgers, die er geen genoeg van krijgen om de politici hun minachting in te peperen. Omdat de Nederlander niet zijn uitvoerende macht mag kiezen, hebben die laatsten daar weinig verweer tegen. Die spiraal kan fnuikend zijn. Dat tij moet worden gekeerd. En vrij rap.

Komende anderhalf jaar staan er verkiezingen voor gemeenteraden en parlement op de rol. In die electorale strijd delft het vrije denken snel het onderspit. Wat in zeven jaar is gepasseerd, laat zich natuurlijk niet in twee maanden bijstellen. Maar als de Kamer na het reces monterder terugkeert, is er al heel wat gewonnen. Want waar zelfvertrouwen en zelfrespect ontbreken, staat de democratie onder druk.