Knappe koppen zonder hoofdpijn

De winnaars van de Spinozapremie van 2009 – neuroloog, bioloog, natuurkundige – willen samen migraine onderzoeken.

Michel Ferrari Michel Ferrari (1954) werd in 2002 in het Leids Universitair Medisch Centrum benoemd als hoogleraar neurologie, maar staat sinds die tijd vooral bekend als ‘hoofdpijnprof’. Studeren en promoveren deed Ferrari ook in Leiden. Naast migraine-expert is Ferrari een van de zes headache-masters in de wereld. Hij was betrokken bij de ontdekking van migrainegenen en de ontwikkeling van triptanen, medicijnen die de migraineaanvallen kunnen verkorten. Spinoza winnaar Prof. dr. M.D. (Michel) Ferrari. Foto: Peter de Krom Krom, Peter de

Albert van den Berg, Michel Ferrari en Marten Scheffer zagen elkaar voor het eerst toen ze hoorden dat ze de NWO-Spinozapremie 2009 hadden gewonnen, begin juni. Er was, zeggen ze, meteen een click. Ze bedachten hoe geweldig het zou zijn als ze samen onderzoek gingen doen.

Dat zou wat zijn. Drie hoogleraren, uit Twente, Leiden en Wageningen. Een natuurkundige die labs-on-a-chip maakt, een neuroloog die migrainegenen identificeerde, een wiskundig bioloog die omslagpunten in complexe systemen kan voorspellen.

Vrijdag 26 juni aan het eind van de middag ontmoeten ze elkaar weer, op uitnodiging van NRC Handelsblad. Als ze binnenkomen – Marten Scheffer met zijn ukelele en zijn mondharmonica – is al duidelijk dat er de komende twee uur tussen hen geen lelijk woord zal vallen.

Ha Albert! Ha Marten! Michel!

Dat plan om samen onderzoek te gaan doen is geen grap.

Ze drinken water (het is erg warm buiten), daarna witte wijn. Ze zitten in hun hemdsmouwen aan tafel, microfoon voor zich, omdat er van het gesprek ook een podcast wordt gemaakt. (Te beluisteren via nrc.nl/spinozapremie) Ze hebben net verteld hoe vaak ze de afgelopen weken gefeliciteerd zijn. “De vakkenvuller bij Albert Heijn”, zegt Albert van den Berg. “Die had me op de televisie gezien.”

De collega’s van Marten Scheffer lieten taartjes komen met een foto van zijn hoofd erop.

Eerst wat over hun eigen werk. Aan Marten Scheffer, de wiskundig bioloog, vragen we waarom het belangrijk is om te weten hoe een helder meertje opeens troebel wordt.

Scheffer: “Het is vooral interessant om te weten hoe je een troebel meertje weer helder krijgt. Een eeuw geleden waren alle meertjes helder, ze werden troebel door een overmaat aan voedingsstoffen in het water. Toen die voedingsstoffen er uit waren gehaald, bleven de meertjes tot ieders verbazing toch troebel. Wat bleek: als je de vissen er ook een tijdje uit haalt, wordt het water weer helder. Men dacht eerst dat je dan wel aan de gang kon blijven, alles zou uit evenwicht raken. Het grappige is: dat is niet zo. De toestand stabiliseert weer.”

Troebele meertjes waren de eerste complexe systemen waarvoor Scheffer het omslagpunt wist te berekenen.

Aan Michel Ferrari, de neuroloog, vragen we of migraine niet lang zoiets als een whiplash was – onverklaarbaar en gemakkelijk te veinzen.

Ferrari: “Helaas klopt het dat migraine decennialang, wat zeg ik, eeuwenlang, werd afgedaan als een ziekte van hysterische vrouwen met grote zonnebrillen. Toen ik de prijs net had gekregen, schreef een college me dat hij zo blij was dat ik dat beeld had weten om te buigen. De World Health Organization plaatst migraine in de hoogste klasse van invaliderende ziekten.”

Heeft u wel eens migraine?

Ferrari: “Nooit. Ik ben geïnteresseerd geraakt in de aanvalsgewijze hersenziekten toen ik na mijn afstuderen bij een hoogleraar in Amerika kwam die de bloedvaten in de hersenen en migraine als onderzoeksgebieden had.”

Aan Albert van den Berg, de natuurkundige, vragen we waneer we zijn labs-on-a-chip bij de drogist kunnen kopen.

Van den Berg: “De eerste chip die we hebben ontwikkeld meet lithium in het bloed, en daar worden er nu vijfentwintigduizend van gemaakt. Ze moeten volgend jaar op de markt komen.”

Waarom zouden mensen lithium in hun bloed willen meten?

Van den Berg: “Het is een medicijn dat wordt gebruikt door manisch-depressieve mensen...”

Ferrari: “En bij bepaalde aanvalsgewijze vormen van hoofdpijn.”

Van den Berg: “Daar ligt een link tussen ons werk. Als mensen zelf hun lithiumwaarden kunnen meten, hoeven ze niet steeds naar het laboratorium.”

Ze krijgen ieder tweeënhalf miljoen euro, die ze naar eigen inzicht kunnen besteden aan hun eigen onderzoek. Meer geld dan de Nobelprijs. (Die is een miljoen euro, de winnaars mogen het geld wel in hun eigen zak steken.)

Albert van den Berg: “We zeiden tegen de voorzitter van NWO: die tweeënhalf miljoen die dit jaar niet is uitgereikt, geef die maar aan ons.”

Normaal worden er víer Spinozapremies toegekend. Maar dit jaar was er geen alfa- of gammawetenschapper te vinden die aan de criteria voldeed.

Wat zei de voorzitter?

Van den Berg: “Helaas zat het geld al weer in de centrale pot.”

Ferrari: “Maar hij zei ook, als jullie met een goed voorstel komen, kunnen we jullie moeilijk weigeren.”

Van den Berg: “In november hebben wij een uitgewerkt plan.”

Tweeënhalf miljoen euro is de bonus van een matig presterende bankier.

Ferrari: “Voor mij is het veel geld. Maar met vijfentwintig miljoen zou ik het ook wel weten. Je kunt je eigen apparaten kopen, je wordt totaal onafhankelijk. Maar of dat beter zou zijn?”

Scheffer: “Het klinkt veel, tweeënhalf miljoen. Maar wat waren ook al weer de jaarlijkse kosten van migraine in de Europese Unie?”

Ferrari: “Zevenentwintig miljard, in 2004. En toen was de Europese Unie kleiner dan nu”

NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, is er om fundamenteel wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken. Maar dit jaar werd er zelfs een arts gelauwerd, iemand die patiënten behandelt: Ferrari. “Echt uitzonderlijk”, noemt hij het.

Scheffer: “Albert en ik zijn ook best toegepast. Een troebel meertje helder maken, een lithiumspiegel meten... Niet zo toegepast als de geneeskunde, maar toch.”

Is het toeval, of hebben ze er bij NWO over nagedacht?

Van den Berg: “Ik denk dat ze blij waren met onderzoek dat kan worden uitgelegd en dat ook wetenschappelijke excellentie heeft. Als je weet wie er allemaal zijn geraadpleegd tijdens de selectieprocedure, dat zijn echt de allerhoogste Nobelprijsfähige jongens van de wereld.”

En dat jullie willen gaan samenwerken, wat zegt dat?

Van den Berg: “Het is op dit moment erg in de mode. Er ligt zoveel moois voor het oprapen. Je hoeft er ook helemaal niet veel voor te doen. Alleen elkaars werk begrijpen.”

We vragen hoe hard het kan toegaan in de wetenschap. Scheffer: “Ik heb eigenlijk nooit gemene dingen meegemaakt. In mijn vakgebied speelt dat niet zo. Je denkt wel eens, nou, dat is niet netjes, maar...

Zoals?

Scheffer: “Je schrijft een stuk, je stuurt het op, het wordt anoniem beoordeeld door je vakgenoten. Als daar dan een rotte appel tussen zit, dan boort hij jouw werk de grond in en publiceert het daarna zelf. Maar dat is uitzonderlijk hoor. Wel is het zo, als je succes hebt, dan zeggen mensen: nounou, is het zo bijzonder?”

Ferrari: “Je wilt natuurlijk wel de eerste zijn. Toen wij het migrainegen vonden, dat was een extreem spannende periode. Mijn promovendus was in een laboratorium in Los Angeles de laatste stukjes aan elkaar aan het plakken. Onze grootste concurrent zat een etage boven ons ook te plakken. Godzijdank aan het verkeerde gen.”

Michel Ferrari werkte tijdens zijn promotie aan de ontwikkeling van triptanen, medicijnen tegen migraine.

Een hoogleraar van het AMC had kritiek over uw samenwerking met de farmaceutische industrie

Ferrari: “Die vraag krijg ik nou altijd hè.”

Maar?

Ferrari: “Het is volstrekt onmogelijk om in je eentje medicijnen te ontwikkelen. Wetenschappers en clinici kunnen niet anders dan samenwerken met onderzoekers uit de industrie. Hun kennis is complementair en daar moet je gebruik van maken.”

Waarom dan die kritiek?

Ferrari: “Je hebt twee soorten wetenschappers. Zij die creatief zijn en zelf met ideeën komen. En zij die alleen maar kritisch zijn op wat anderen bedenken. Dat laatste is heel gemakkelijk. Maar je bereikt er niet veel mee.”

Scheffer: “Dat zijn de klagers. Die hollen overal een beetje achteraan.”

In Nederland gaat steeds minder geld naar de wetenschap dan in de meeste andere westerse landen. Maar Ferrari zegt: “Er is wel geld. Je moet het alleen zien te vinden.”

Van den Berg: “Ja, jij bent een goeie wetenschapper, Michel. Jij kunt overal geld krijgen. Ik nu ook, nu gaat het hartstikke goed. Maar zal ik eens een la opentrekken met onderzoeksvoorstellen die zijn afgewezen?”

Scheffer: “Ik begrijp dat we bij de rest van de wereld achterblijven. Toch presteert Nederland nog behoorlijk goed.”

Van den Berg: “We gaan langzaam achteruit.”

Scheffer: “De attitude kan ook naar de positieve kant omslaan. Dat opeens wel weer het nut van wetenschap wordt gezien. Dat mag ik hopen.”

Ferrari: “Het punt is, hoe staan we er over tien jaar voor? Kijk naar het aantal promovendi per honderdduizend inwoners. In Europa laat Nederland alleen Hongarije achter zich.”

Ging het maar zoals in Duitsland, zeggen ze. Onderzoeksgroepen die zich daar hebben bewezen krijgen gewoon “een bom duiten”. Maar minister Plasterk verschoof honderd miljoen euro van de universiteiten naar NWO en voerde zo een meer Amerikaans systeem in: onderzoekers moeten in competitie.

Scheffer: “Al die tijd die verloren gaat met het schrijven van voorstellen. En het is een schijnvertoning, deels. Je hebt iets uitgevonden en dan schrijf je een voorstel: ik wil dat en dat uitvinden. Het geld besteed je aan je volgende uitvinding.”

Ze lachen.

Scheffer: “Je leert met ieder systeem omgaan, daar zijn we handig genoeg voor. Het andere uiterste is Darwin. Wat zou hij voor voorstel geschreven hebben? Nou, ik ga de oorsprong van soorten onderzoeken. Wat heeft u daarvoor nodig? Een reis om de wereld. Hoe lang gaat het duren? Ik denk mijn hele leven.”

Ferrari: “Het is beledigend voor de universiteiten dat het geld bij hen is weggenomen. De politiek denkt dus dat universiteiten goed onderzoek niet herkennen. Nou, hef ze dan maar op.”

Het geld wordt nu door NWO verdeeld.

Ferrari: “Ja. NWO is een fantastische instelling, daar niet van. Maar wat denk je dat het kost om honderd miljoen euro te verdelen? Het grote probleem is om genoeg mensen te vinden die pro deo in het weekend onderzoeksvoorstellen gaan zitten beoordelen.”

Het onderzoek dat ze samen willen gaan doen, zal over migraine gaan – dat hebben ze al besloten. Wat kunnen een natuurkundige en een wiskundig bioloog bijdragen aan het werk van een neuroloog?

Van den Berg: “Ik kan iets doen met biomarkers. Met nanotechnologie stoffen opsporen in heel kleine hoeveelheden bloed of hersenvocht.” Hij kijkt naar Marten Scheffer.

Scheffer: “Je moet bij Michel zijn. Ik weet nog niets van migraine. Ik ben me aan het inlezen, maar eh...”

Ferrari (die een mapje met artikelen van Scheffer en Van den Berg bij zich heeft): “Het masterplan is... Migraine is een ziekte waarbij iemand op een onvoorspelbaar moment en om onbekende redenen een aanval krijgt die drie dagen kan aanhouden, waarna de toestand om onbekende redenen weer normaliseert. De cruciale vraag is: waarom treedt die aanval nu op?”

Dus?

Ferrari: “Met de techniek van Albert kunnen we de bloedwaarden van patiënten op een niet-invasieve, niet-belastende en betrouwbare manier van uur tot uur in kaart brengen. Marten maakt dan een model waarmee het omslagpunt kan worden voorspeld en vertelt ons hoe het kan worden gekeerd. Daarna kun je medicijnen ontwikkelen. Dat is de droom.”

Als drie andere wetenschappers de Spinozapremie hadden gewonnen, hadden ze dan ook samen een onderzoek bedacht?

Van den Berg; “Ik denk dat het toeval is.”

Ferrari: “We kijken wel alledrie graag over de grens heen.”

Scheffer: “Dat is een bindende factor.”

En NWO bekroont graag homines universales?

Ferrari: “Die bestaan niet meer. Maar iedereen is zo gespecialiseerd geraakt dat je niet meer verder komt zonder samenwerking.”

Scheffer: “Maar het is niet zo voor de hand liggend als je denkt. Mijn ervaring is dat het lang duurt voordat je iemand uit een ander vakgebied begrijpt. Toen ik voor het eerst met sociologen en economen praatte, dacht ik: waar hébben ze het over. Je moet iemand ook echt aardig vinden om niet te denken: wat een gezwets.”

Van den Berg: “Wij zijn alledrie bèta’s.”

Ferrari: “Echte bèta’s.”

Van den Berg: “Maar in de geneeskunde is de mindset wel anders.”

Ferrari: “Vijftien jaar geleden werkte ik samen met een natuurkundige uit Twente die er echt geen enkel begrip voor had dat je bepaalde onderzoekingen niet kunt doen bij patiënten, en dan ook nog eens zonder controles. In de natuurkunde is het zo: je doet een test en dat is dan de waarheid.”

Van den Berg: “Ja!”

Ferrari: “Het cultuurverschil was niet te overbruggen. Maar hier, met jullie, is het alsof ik onder broeders ben.”

Van den Berg: “Ik deed een sabbatical in een biologisch laboratorium in Amerika en ik merkte dat er onder biologen ook waanideeën leefden. Als je een cel in warm water doet, hoe lang duurt het dan voordat die de temperatuur van de omgeving aanneemt? Ja, jullie zullen daar wel gevoel voor hebben. Maar zij hadden geen idee of het een uur of een kwartier of een seconde was.” Het is minder dan een seconde.

Marten Scheffer speelt voor de tweede keer een liedje op zijn ukelele en zijn mondharmonica, om de podcast wat vrolijker te maken. Muziek is Scheffers liefhebberij, naast zijn werk.

Daarna gaan de microfoons uit. De drie mannen spreken af om elkaar in augustus weer te zien, bij Michel Ferrari thuis, in de wijnkelder. Scheffer vertelt aan Ferrari over de ‘migraine-achtige symptomen’ die hij soms bij zichzelf waarneemt, vooral lichtflitsen. “Ik wil er alles van weten”, zegt hij.

Ferrari: “Ik kan wel wat NO bij je inspuiten.”

Van den Berg: “NO? Of N2O?”

Ferrari: “Nee, NO. Stikstofoxide.”

Scheffer: “En wat gebeurt er dan?”

Ferrari: “Tachtig procent van de patiënten krijgt gegarandeerd een aanval. En twintig procent van de niet-patiënten krijgen ook een aanval.”

“Interessant”, zegt Scheffer: “Begrijpen jullie al waarom?”