Geen dubbele cavia's!

Deze zomer bespreekt een panel van Dr. Zeepaard elke week een vraag. Vandaag over klonen.

Wisse (10 jaar), Julian (11 jaar), Valerie (10 jaar) en Lucie (8 jaar) zitten bij elkaar in de klas op de Montessorischool Maas en Waal in Amsterdam. Ze zitten ook samen in de redactie van de klassekrant. Vandaag praten we over klonen. Zou je een kloon van je huisdier willen hebben, is de vraag. En natuurlijk: wat is een kloon?

“Een kloon is een dubbele versie van jezelf”, zegt Julian. “Een soort kopie. Zoals je bij het Kruidvat twee afdrukken van dezelfde foto kan laten maken – daar moet ik aan denken.”

“Maar dan vraag ik me af”, denkt Wisse hardop, “kan je dingen klonen?” Als je allemaal dezelfde speelgoedautootjes hebt bijvoorbeeld, zijn dat dan klonen van elkaar? Nee, vinden ze, dat is ‘namaken’. Voor een kloon heb je DNA nodig. Een kloon maak je van een levend wezen.

Zouden ze een kloon willen van hun huisdier? Nee, zeggen ze alle vier. Valerie, die een cavia heeft (Fikkie), zegt: “Dat vind ik een raar idee. Dan heb je steeds dezelfde cavia.” Wisse: “Dat lijkt me saai.” En Julian ziet nog een bezwaar: “Dan word je steeds herinnerd aan de echte kat of cavia, en blijf je verdrietig.” Want een kloon, denkt hij, voelt toch niet ‘echt’.

“Misschien is het voor heel even leuk”, denkt Lucie. “Maar daarna heeft het toch iets van een plastic dier”, zegt Wisse. “Het is eigenlijk een eng idee”, zegt Julian, “dat je een dood dier weer tot leven wekt.”

Wat zouden ze vinden van een kloon van zichzelf? “Misschien is dat ook even leuk”, zegt Lucie. “Maar daarna wil je allebei hetzelfde en krijg je ruzie.” “Dat valt wel mee”, relativeert Valerie, “want een kloon van jezelf is nooit even oud. En hij krijgt een andere opvoeding, dus zou hij toch niet precies hetzelfde zijn.”

Voor een dag ofzo lijkt het Wisse wel leuk. “Als die kloon op je babyfoto lijkt, dan kun je zien hoe je vroeger was.” “Het lijkt me wel raar om die klóón te zijn”, zegt Julian, “want dan ben je jonger dan het origineel zeg maar. Dus dan zie je jezelf sterven.”

Er is wat discussie over de vraag hoeveel een kloon op zijn origineel lijkt. “Dat je van frietjes of hamburger houdt, kan je met DNA echt niet voorspellen”, zegt Julian. “Jawel hoor”, zegt Wisse, “want de tong van een kloon is precies hetzelfde en dan heb je ook dezelfde smaak.”

“Weet je wat mij erg lijkt”, vervolgt hij. “Als je dacht dat je normaal was en je ouders vertellen je dan dat je een kloon bent van je oudere broer.” Omdat je je dan een kopie voelt? “Dat ben je ook”, zegt Wisse resoluut. Maar Valerie relativeert: “Je bent toch een beetje anders en je verandert ook omdat je een andere omgeving hebt.”

En een kloon van hun vader of moeder? Wisse: “Dan zie je een baby liggen en denk je: dat is mijn vader.” Dat vinden ze te vreemd.

Daarna hebben we het er nog over of je dinosauriërs tot leven moet wekken uit oud DNA. Wisse: “Die hebben hun tijd gehad.”

En zou je fabeldieren in elkaar kunnen knutselen? Bijvoorbeeld door DNA van een hagedis in een vogelei te stoppen (‘een hagevogel’) of door adelaar-DNA met leeuwen-DNA te mengen (een soort griffioen). Ook geen goed idee, vinden ze. Lucie besluit: “In je fantasie zijn zulke dieren spannend, maar in het echt zouden ze beangstigend zijn. Dan wil je ervoor wegrennen.”