Directeur van een integratiefabriek

School is: leren voor de maatschappij. Zeker op het Vader Rijn, vmbo met alleen allochtone leerlingen. Scheidend directeur Engbers: „Mensen, ik heb het over opvoeden.”

Vierde-klasleerlingen van het Vader Rijn College dansen tijdens het afscheidsgala van hun school, afgelopen maand. Foto’s Evelyn Jacq Europa, nederland, Utrecht,18-06-2009 Vader Rijn College, openbare school voor VMBO. Gala avond voor de 4de jaars leerlingen. Meisjes en jongens hebben hun mooiste kleding uit de kast getrokken om de gala bij te wonen. Bart Engbers, directeur van de school, gaat in juli met pensioen. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Als directeur Bart Engbers spreekt over zijn leerlingen, heeft hij het over ‘mijn kinderen’. Als hij praat over zijn school, dan gaat het een beetje over de lessen maar veel meer over structuur en geborgenheid. Dat hebben zijn 550 kinderen namelijk nodig. Hij heeft het nauwelijks over het diploma dat ze moeten halen, al vindt hij dat best belangrijk. Veel belangrijker nog is het, zegt hij, zijn kinderen voor te bereiden op een baan. En op een plek in de maatschappij.

Daarom zette hij zo hard in toen hij na de zomervakantie in 2006 geconfronteerd werd met een islamitische docente die mannelijke collega’s en leerlingen geen hand meer wilde geven. Een juf moet de kinderen de weg wijzen in de maatschappij. Daarbij hoort handen schudden.

Engbers werd door zijn onwrikbare opstelling plotsklaps een bekende Nederlander. Scholen worden vaker geconfronteerd met islamitische docenten die zich ineens strikter gaan opstellen. Engbers kreeg daar mailtjes over. Maar dergelijke kwesties worden nooit openlijk uitgevochten. Het zou de school een slechte naam bezorgen.

De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde dat een school niet van een docente kan eisen dat ze handen schudt. De school ontsloeg haar toch. Vorige maand kreeg Engbers van de hoogste bestuursrechter alsnog gelijk: een school mag van docentes eisen dat zij mannen de hand schudden, ook als dat tegen hun geloof indruist, vond de rechter. Het belang van de school weegt zwaarder dan de vrijheid van godsdienst. Het einde van een principiële zaak.

En volgende week neemt Bart Engbers (61) afscheid van zijn school, het Vader Rijn College in Utrecht, Overvecht. Hij werkt er sinds 1995, de laatste acht jaar als directeur. Daarvoor was hij docent geschiedenis op een gymnasium.

Het Vader Rijn is een vmbo-school met 60 procent Marokkaans leerlingen, 30 procent Turkse. En dan nog wat Antillianen, voor het lawaai en de vrolijkheid, zegt Engbers. Autochtone kinderen heeft hij niet. Toen hij in 1995 kwam, was ongeveer de helft van de kinderen ‘wit’, enkele jaren geleden zijn de laatste tientallen witte kinderen vertrokken.

Hij heeft niet geprobeerd hen te houden, want dat lukt toch niet. En eigenlijk vindt hij het niet erg dat ze weg zijn. „Nederlandse kinderen op het vmbo komen uit de laagste sociale klassen”, zegt hij. „Die moeten niet veel van zwarte kinderen hebben.” En wat krijg je dan? Sociale strijd op het schoolplein. Wil hij dat? Nee.

Maar nu komen er ook te weinig allochtone leerlingen. Een deel gaat buiten de wijk naar een gemengde vmbo-school, maar het aantal vmbo-leerlingen in Utrecht daalt ook. Het Vader Rijn fuseert binnenkort met een andere vmbo-school.

Engbers vindt het jammer. Zijn school heeft zo veel ervaring met deze leerlingen, en zo veel expertise, dat wekelijks delegaties uit het buitenland komen kijken. Zijn school is een integratiefabriek. Engbers wil de leerlingen bewustzijn bijbrengen. Oog voor de omgeving, voor de maatschappij. En daarom stuurt hij ze de wijk in. In het buurtcentrum kunnen bewoners hun wensen neerleggen. „De moskee wilde graag een hek. Mijn jongens van de afdeling techniek hebben dat gemaakt. De woningbouwvereniging wilde de onderdoorgangen bij de flats graag opgeknapt zien. Mijn leerlingen schilderden ze op. Ze leren schilderen en lassen. Maar ze leren ook dat het prettig is als hun wijk er mooi uitziet. En het kweekt goodwill in de buurt.”

Zijn kinderen, zegt Bart Engbers, zijn getalenteerd. „Veel van deze kinderen wíllen leren. Het is alleen nooit gestimuleerd. Zie je wel eens kinderen elkaar voorlezen uit een boek? Nee? Nou, het gebeurt hier, op het schoolplein! En ze lezen over onderwerpen waarover ze zich schamen om er over te praten; eerwraak, kindermishandeling, verkrachting, huwelijksdwang. Maar sommigen hebben er wel mee te maken.”

Laatst lag een groepje dubbel van het lachen om een passage. Engbers ging kijken. Ze lachten om een verhaal over een zoon die met zijn vader mee moest naar de leraar. De vader sprak geen Nederlands en de zoon moest vertalen. Dat deed de zoon natuurlijk zo dat het in zijn eigen voordeel was. „Hilarisch vonden ze dat.”

Om die reden vraagt Engbers nooit aan leerlingen een gesprek tussen hem en hun ouders te vertalen. Als de ouders onvoldoende Nederlands praten, dan zit er een tolk bij. En de ouders worden vaak naar school geroepen voor overleg. Dat zijn ze niet gewend, maar dan wennen ze er maar aan, vindt hij. „Hoe meer betrokkenheid bij hun kinderen hoe beter. Elke twee maanden, net voor de vakantie, houden kinderen een presentatie over wat ze geleerd hebben. Dat is een belangrijk moment. Daar moet verplicht iemand van thuis bij zijn. Anders gaat het niet door. Dus daar zorgen ze dan voor.”

Je moet de ouders een handje helpen bij de opvoeding, zegt Engbers. Hij vond afgelopen jaar dat de sfeer op school verhardde, dat er meer agressie was. Hij organiseerde een ouderavond om de ouders te motiveren daar met hun kinderen over te praten. De opkomst was groot. Er kwamen 130 vaders. Geen moeders. Hun reactie? „Na een kwartier ging het over lessen Arabisch die we zouden moeten geven. En dan specifiek lessen in de Koran. Ik zei: ‘Mensen, ik heb het over opvoeden.’ Opvoeden is voor de ouders van mijn kinderen geen bewuste bezigheid. Kinderen worden vanzelf groot. Zoiets. En als je daarbij regelmatig in de Koran leest, komt het goed.” Hij lacht.

Niet dus. Sommigen zijn totaal ontspoord en ook die gastjes zitten bij hem op school. Het zijn de kinderen die rondhangen, klieren, vernielen, autoruitjes inslaan, tasjes roven. Het is 5 tot 10 procent, toch veel op 550 leerlingen. „We zitten er bovenop. Bellen meteen naar huis als iemand niet opdaagt. Maar het blijft lastig als je dan iemand aan de telefoon krijgt die geen woord Nederlands spreekt. Je hoort de machteloosheid.

„De taal is een groot probleem. Mijn Marokkaanse kinderen spreken nauwelijks meer Berber of Arabisch. Turkse leerlingen spreken onderling nog wel eens Turks, Marokkaanse leerlingen nooit Marokkaans, die spreken alleen Nederlands. Maar als hun ouders dat niet goed spreken, hoe moeten ze dan met elkaar communiceren?”

Leerlingen die zich misdragen, Engbers vindt het lastig om mee om te gaan. Maar nog lastiger vindt hij het effect dat de korte lontjes hebben op de andere kinderen. Zij worden kort gehouden door de ouders, bang dat het ook met hun kinderen mis zal gaan. En de buitenwereld kijkt ze met de nek aan. Ze zien in elke Marokkaan een rotjongen.

Een Surinaamse jongen zei laatst tegen hem: ik word af en toe gediscrimineerd, maar het is niets vergeleken bij de Marokkaanse jongens. „Daardoor zijn de Marokkaanse jongens extreem gevoelig voor afwijzing. Als een leraar het zat is en zegt: ga jij maar even weg, dan is de school te klein. We moeten als school uitstralen ‘je hoort erbij’. Pas als ze dat gevoel hebben, is er een basis om te leren.”