De winsten van Wall Street, eerlijk verdiend of roofbuit?

Nog niet zo lang geleden was Citigroup het grootste financiële conglomeraat ter wereld. Eind vorig jaar stond het op zinken en moest het in uiterste nood grijpen naar een reddingsboei die de Amerikaanse overheid met tegenzin moest toewerpen. Het vertrouwen in de groep was zo diep gezonken dat de beurswaarde, twee jaar eerder nog ruim 200 miljard dollar, met 97 procent was geïmplodeerd tot 6 miljard dollar. Een bank zonder vertrouwen is een failliete bank, behalve als je, zoals Citigroup, bij je ondergang het hele financiële systeem zou meetrekken. Dus moest er een reddingspakket komen. De Amerikaanse schatkist nam het risico van 306 miljard dollar aan slechte leningen over en stopte rechtstreeks 45 miljard dollar nieuw kapitaal in het bedrijf. Dat leverde haar de onwelkome positie op dat zij met een belang van 34 procent verreweg de grootste aandeelhouder werd. Genoeg, o schande, om Citigroup als pseudostaatsbedrijf te verwijderen uit de elitegroep van het aandelenkapitalisme, de ondernemingen waaruit de Dow Jones beursgraadmeter is samengesteld.

De overheid mag dan redder tegen wil en dank zijn, de drenkeling zelf is ook niet blij met zijn redding. Of beter, hij vindt dat de boei die hem werd toegeworpen te ruw en hard is voor zijn stand. Zo liet president-commissaris Richard Parsons zich kort geleden ontvallen dat hij de beperkingen die de overheid heeft opgelegd om een herhaling van de catastrofe te voorkomen, als knellend ervaart. In het bijzonder is hij bang dat zijn winstgevendheid onder druk komt te staan omdat hij slimme en gretige jongelui naar de concurrentie ziet overlopen doordat hij hun van de overheid geen miljoenenbonussen meer mag toekennen. Die praktijk bracht Citigroup jarenlang goed geld in het laatje, maar leverde ook, toen de muziek stopte, onder meer die 306 miljard zure leningen op die de overheid heeft afgegarandeerd op rekening van de Amerikaanse belastingbetaler. Toevallig telt de bevolking van de VS 306 miljoen mensen, zodat elke man, vrouw en kind in het land precies 1.000 dollar heeft betaald voor overmoed van Citigroup. The New York Times kwalificeerde dat als een ongecamoufleerd cadeau, maar dat is het niet. Een cadeau veronderstelt vrijwilligheid van de schenker, maar over dit cadeau had de Amerikaanse belastingbetaler niets te zeggen. Het was een gelegaliseerde vorm van afpersing – „als je het ons niet geeft, gebeuren er ongelukken” – en een demonstratie van de formidabele lobbykracht van Wall Street in Washington.

Parsons is bezorgd over de toekomstige winsten van Citigroup, die hij graag met hetzelfde slag mensen op hetzelfde niveau van vroeger wil terugbrengen. Wat hij niet lijkt te beseffen, is dat dat dan ook op dezelfde manier zal gebeuren, en met dezelfde uitkomst. „Had ik toch maar opnieuw de ruimte om miljoenen te betalen en miljarden te verliezen”, is zijn verzuchting.

„Wat goed is voor General Motors is goed voor Amerika”, wist ooit topman Charles Wilson zonder valse bescheidenheid te beweren. Dat was in de jaren 50, toen het bedrijf een van de machtige motoren was van de Amerikaanse productiemachine. Ook Parsons zou graag de handen vrij hebben om te doen wat hem goed lijkt voor Citigroup, maar gaat er hooghartig aan voorbij dat dat tot dusverre helemaal niet goed geweest is voor het land. Citigroup was oppermachtig, maakte superwinsten en keerde miljoenenbonussen uit. Maar aan het eind van het verhaal ligt het omringende landschap er desolaat en ontredderd bij. Het geld dat al die jaren binnenstroomde, bleek uiteindelijk niet de uitkomst te zijn van economische waardetoevoeging, maar van brutaal gecamoufleerd vertrouwensmisbruik, zwendel en op het laatst afpersing.

Het is als met die Somalische zeerovers. Die vormen een aanzienlijke bron van inkomsten voor het economische subsysteem van de kaperssyndicaten, maar voor het grotere geheel zijn zij een bestaansbedreigend gezwel. Wat zij aan land brengen in de vorm van goederen of losgelden is geen verdiend geld, maar plunderbuit. Het is het middeleeuwse bedrijfsmodel van de roofridderburcht of de riviertol. Zorg dat je een strategische plek bezet en schud passanten uit die nergens anders heen kunnen. Het concept is eeuwenoud en toch springlevend. Alleen is het nu niet ruw volk met knuppels dat het uitvoerende werk doet, maar snelle mannen in maatpakken en met een smaak voor dure auto’s.

Het toptalent dat Parsons vreest kwijt te raken is slim, gedreven en gretig. De omringende wereld zien zij niet of ze hebben er geen boodschap aan. ‘Barbarians at the gate’, klonk er voor het eerst in 1988, bij het beleg en de val van de burcht RJR Nabisco. ‘Greed is good’ hadden insider trader Ivan Boesky en zijn filmpersona Michael Douglas eerder al gepredikt. Het bleek dat de barbaren zich niet buiten de poort lieten houden, en zo bedachten we dat we hen met hun ruwe manieren voor onze kar zouden spannen. Voer ze bonussen, dan zullen ze voor ons werken en ons rijk maken, was de achteraf naïeve redenering. Maar wie te zwak is om de barbaren buiten te houden, die gaat het ook niet lukken ze in bedwang te houden als ze eenmaal binnen zijn. Toen ze de burchtpoort geramd hadden, stapten ze ook de ridderzaal binnen. Daar werd de oude, zwakke koning verjaagd. Het is intussen de hoofdbarbaar die de scepter draagt, en bij Citigroup heet hij Parsons. Die spreekt niet voor het belang van het land of van de economie. De barbaren en de buit, dat is waar zijn loyaliteit ligt.

Maar Citigroup ligt voorlopig nog aan de ketting van de overheid. Het risico schuilt in de instellingen die Parsons’ deserterende piraten overnemen.

    • Johan Schaberg